In Houellebecq’s Soumission zijn de media geen waakhond meer van de democratie. Herkenbaar?

Het gonsde in de Franse media, nog voor verschijning begin januari: Soumission van Michel Houellebecq zou een islamofobe roman zijn. Zo’n vonnis kon onmogelijk gebaseerd zijn op de inhoud van de roman, waarin Frankrijk braafjes en redelijk eensgezind een islamitische republiek wordt. Een land zonder werkloosheid en criminaliteit, met een florissante economie, welvaart en een leerplicht tot twaalf jaar, waarna meisjes klaargestoomd worden voor een huiselijk leven in een polygaam huwelijk. En iedereen pikt het. Er heerst geen sharia en er wordt volop alcohol geschonken, ook op de receptie van de inmiddels islamitische Sorbonne of thuis bij de veelwijverij plegende, literatuurminnende decaan die bekeerde collega’s van topsalarissen en seksslavinnen voorziet.

In literatuur kan alles; daarin krijgt juist het onwaarschijnlijke een bijzondere glans en wordt de fantasie geprikkeld om buiten vertrouwde logische paden te treden. Kennelijk geldt dit niet voor hen die niet willen of kunnen lezen en duiden, maar niet rusten voordat ze de schrijver als moslimhater en handelaar in xenofobe angsten hebben afgespiegeld. De eerder door Franse moslimorganisaties aangeklaagde, ellenlang over zijn romans verhoorde en ten slotte van racisme vrijgesproken Houellebecq is een makkelijk doelwit. Zelfs na de afslachting op de redactie van Charlie Hebdo – de inkt van Soumission was net gedroogd – bleven de aanvallen komen. Dus moet Houellebecq nu in interviews de stelling verdedigen dat hij géén islamofobe roman heeft geschreven. En dat hij vindt dat iedereen vrij is een islamofobe roman te schrijven. Zonder dat de dood erop volgt. En dat hij zich niet gaat verontschuldigen voor iets dat hij niet gedaan heeft. Het zijn altijd de beschaafden die zich moeten verontschuldigen voor iets dat ze niet gedaan hebben, als de haat van gekwetste volksdelen weer eens vrijelijk oplaait.

De onmacht van het Westen

Al met al gaat Soumission voornamelijk over een mensenschuwe, gedesillusioneerde literatuurprofessor die celibatair en teruggetrokken leeft. Een middelbare man voor wie het burgerlijke huwelijk geen bekoringen kent en die zelfs in literatuur geen troost meer kan vinden. Zijn intellectuele ambities acht hij verdampt. Alleen de verleiding van het geloof boeit hem nog. Na een pelgrimage naar Poitiers en veel obsessieve bezoeken aan de zwarte Madonna van Rocamadour, blijkt het katholicisme hem niets te bieden. Rest die Franse islam ‘version Houellebecq’, gemodelleerd naar de patriarchale behoeftes van de moderne man die bereid is veel vrijheden in te leveren voor veiligheid en comfort. Een provocatieve gedachte, dat wel. De persoonlijke queeste loopt in Soumission gelijk met een ingrijpende sociaal-culturele transformatie. Maar de door Houellebecq verzonnen Franse islam ontstijgt – o ironie – het doemdenken van hen die hem kapittelen en houdt de samenleving een heel andere spiegel voor.

Als Houellebecq iets duidelijk maakt, dan dat de provocatieve aspecten van zijn roman een heel andere kant op wijzen dan de boze vingers van zijn criticasters. Nee, niet de islamitische terreur of intolerantie staat voor schut, maar het culturele en morele verval en de bestuurlijke onmacht van het Westen. Soumission is geen waarschuwing over een islamistische hel die zich vanuit de banlieues tot de verste hoekje van la France profonde uitstrekt. De roman onderzoekt eerder de vrijwillige verkwanseling van de westerse vrijheid en de verlammende angst voor de eigen (extreem)rechtse demonen.

President Mohammed Ben Abbes, een raspoliticus met het charisma van een De Gaulle, komt in 2022 aan de macht omdat hij in een politieke entourage van egomane lapzwansen en ruggengraatloze non-valeurs de enige is met een heldere, constructieve visie, voor Frankrijk en Europa. Zodra hij opkomt veegt hij de shariafetisjist Tariq Ramadan van het toneel. De ‘humanistische’ islam die hij in Frankrijk introduceert, komt dicht in de buurt van de stoutste patriarchale wensdromen van aartsconservatieve christenmannen, dat lijkt Houellebecqs boodschap. Die humeuren vinden elkaar. Een karikaturale suggestie. Het is aan de lezer de kern van waarheid te destilleren.

Media lamgelegd

Toch lijkt het erop dat ook Houellebecq worstelde met de geloofwaardigheid van de spectaculaire politieke transformatie die hij verzon. Hoe krijg je in een vrije, pluriforme democratie – in het Frankrijk van de laïcité – zoveel zielen zo snel vol overgave aan de islam? Daarvoor reserveert de romancier een glansrol voor de Franse media. Zonder hun collaboratie aan een politiek complot had de electorale periode uit de roman eerder het begin van een burgeroorlog gemarkeerd. Wat is er aan de hand? Als tijdens de verkiezingsstrijd duidelijk wordt dat het Front National de enige partij is die Abbes zou kunnen verslaan, sluiten alle partijen op links en rechts een coalitie met Abbes, die ze ministeriële posten en economische macht belooft. De media doen gretig mee aan de verheerlijking van de islamitische kandidaat. Tientallen minuten houdt hij monologen zonder dat een journalist hem onderbreekt. François, de hoofdpersoon en ik-verteller van de roman, observeert: ‘Het was me allang opgevallen dat de meest geniepige, agressieve journalisten in de aanwezigheid van Mohammed Ben Abbes als gehypnotiseerd en verslapt reageerden.’ Er waren veel kritische vragen die gesteld konden worden, maar elke keer antwoordde de welbespraakte Abbes met een jij-bak richting christenen. Op een gegeven moment realiseert François zich dat Abbes de pers precies daar had waar hij wilde: in een staat van breed gedeelde twijfel over de eigen kritiek, waarbij het gevoel overheerste dat er niets was om te vrezen, dat zich met de politiek van Abbes niets nieuws en verontrustends aandiende.

Omdat de alertheid van de media vrijwel verdween, konden journalisten ingezet worden voor de electorale zege van Abbes. Niet alleen door hagiografische interviews met politici die hem steunden, maar ook door het scheppen van een staat van beleg – in informatievoorziening. In het gehele land zijn er aanslagen en rellen. De salafisten die de mildheid van Abbes verwerpen, vechten tegen extreemrechts. Omdat die onlusten de electorale opmars van het Front National versterken, houdt de regering geheime vergaderingen met Abbes om met medewerking van de top van de geheime dienst en de media te voorkomen dat Marine Le Pen de macht krijgt. In naam van de redding van de democratie uit handen van Le Pen sluit de regering het internet, zendt de televisie op gezette tijden niet meer uit en heerst er totale mediastilte als er aanslagen plaatsvinden, zelfs in hartje Parijs. Dat leidt tot hilarische, maar ook vervreemdende scènes waarin de nationale televisiezenders urenlang sneeuwbeeld tonen, mobiele telefoons ineens nergens meer bereik hebben en slechts CNN nog bericht over wat er in Frankrijk gaande is.

De burgers, afgemat en bang voor het toenemende geweld, zijn met stomheid geslagen. Onmachtig en onwetend voelen ze aan dat Frankrijk ingrijpend verandert, voorgoed. Tegelijkertijd begrijpen ze steeds minder van wat er om hen heen gebeurt. Intussen laat de regering, ondanks waarschuwingen van geheimagenten voor aanslagen, de situatie op straat dermate bloedig escaleren, dat gouvernementeel ingrijpen in het verkiezingsproces onvermijdelijk is: de gang naar de stembus wordt tijdelijk stopgezet, om de zege van het Front National te voorkomen. Als enige politieke oplossing om het bloedvergieten te stoppen wordt het vooruitzicht van een regering van nationale eenheid gepresenteerd. Met Abbes als president.

Schijn van democratie

Als het eenmaal zover is, herstellen de media zich nauwelijks. Na hun collaboratie aan de anti-Le Pen coup, vervallen ze in een ‘staat van verbijstering grenzend aan afasie’. Omdat journalisten, zoals François stelt, zich niet informeren over dingen die ze niet begrijpen, hebben ze al voor de electorale campagne veel informatie laten liggen en verzwegen. Ter compensatie worden sommigen van hen een kritiekloze spreekbuis van de president. Televisiedebatten grossieren in retorische onmacht en onkunde en het politieke discours verflauwt ook: er blijft een schim van over, net genoeg om de schijn van een democratie op te houden.

Precies op het moment dat de lezer zich zou kunnen afvragen hoe de publieke opinie zo gewillig wegsmelt, deelt Houellebecq een genadeklap uit die laat zien hoe draaikonten en conformisten kritische stemmen wegspelen. De schrijver voert de bekende Franse islamcriticus, de filosoof Pascal Bruckner op. Een conservatief opiniestuk dat hij ooit schreef blijkt perfect in het straatje van Abbes te passen en wordt zodanig verdraaid en gebruikt door jongere intellectuelen die – wapperend met de teksten van Bruckner – de apologeten van de nieuwe islamitische gezinsmoraal worden. Wanneer zelfs de gedreven islamcriticus Bruckner gekaapt en geknakt wordt, lijkt er geen weg terug meer te zijn. Après Bruckner, le déluge.

Onvermijdelijk stelt de lezer zich hier de vraag: is deze politieke klucht enigszins levensvatbaar? Is er een breekpunt denkbaar, waarop de ons vertrouwde democratie vatbaar is voor paniekerige zelfdestructiviteit, zoals in Soumission? Voor welke prijs zijn mensen bereid liberale waarden en vrijheden op te geven? En hoe zouden de media op zo’n moment reageren: objectief, kritisch, reddend, weifelend, onbetrouwbaar, in verzet of medeplichtig?

Discours geen stap verder

Tragisch genoeg viel de verschijning van Soumission samen met een gruwelijke actualiteit, die de roman urgentie gaf: de aanslagen op Charlie Hebdo. Hoe de media reageren in tijden van islamitische terreur was ineens akelig dichtbij te zien. Uiteraard was er geen sprake van een samenzwering tussen politiek en media, teneinde de kijker en luisteraar in een bepaalde richting te manipuleren. Op dat punt leek de werkelijkheid in niets op Soumission. Dat de vergelijking met de roman hier wel getrokken wordt, heeft te maken met het verbijsterende talent tot zelfcensuur bij journaille, met de beschamende momenten van afasie die we konden waarnemen bij journalisten oog in oog met hetze, opruiing, onwaarheden en manipulatie van klagende moslims die te gast waren in televisieprogramma’s. Hoe is het mogelijk dat de media na anderhalve dag luide, emotionele solidariteit met Charlie, ruim baan gaf aan wat Salman Rushdie zo treffend de ‘but brigades’ noemde. De klagende ‘ja maar’-roepers die het lukte, ongehinderd door kritische vragen en confrontaties met de onzinargumenten die ze uitkramen, de discussie in de door hen gewenste richting te manoeuvreren: die waarin de moslims en het imago van de islam als ultieme slachtoffers van discriminatie en belediging figureren. Daarover werd eindeloos genavelstaard, in plaats van te kijken naar de aspecten van de islam die onverenigbaar en zelfs schadelijk zijn voor de westerse democratie. In plaats van te kijken naar de koestering van die vijandige posities en de schaamteloze ontkenning van die praktijk. In plaats van te kijken naar het gemak en de ijskoude formules waarmee teveel mensen voor een microfoon slogans als ‘dit is geen islam’ of ‘dit is niet mijn islam’ bezigden, om daarna zelfvoldaan met de rug naar de problematische discussies te gaan staan. Nee, natuurlijk zijn ze niet verantwoordelijk voor terreurdaden. Maar ze zijn wel verantwoordelijk voor hun reactie daarop, zoals iedereen dat is, als burger van een land waarin barbaarse executies unaniem verworpen worden. Wil ik hopen. En als die reactie erop vijandig, rancuneus en slechts op het eigen etnische of religieuze belang gericht is, dan wordt een diep en verhelderend debat over de confrontatie van de vrije wereld met dat geweld onmogelijk gemaakt.

Veertien jaar na 11 september zijn we in dat discours kennelijk nauwelijks een stap verder: zodra een moslim al dan niet als reactie op islamitische terreuraanslagen gaat klagen dat hij gediscrimineerd wordt, geen kansen krijgt, racisme moet verduren en dat terwijl zijn oude vader destijds ook in de Nederlandse fabrieken is uitgebuit, vervalt het merendeel van mijn beroepsgilde in begripvol meeknikken of in onmondige schaamte – alsof die verwijten persoonlijk aankomen en het denkvermogen uitschakelen om flauwekul met valide argumenten te pareren. Zodra een jijbakkende moslim begint te beschuldigen en te vingerwijzen, in kromme redeneringen en met argumenten en principes die voortdurend veranderen, hypocriet en selectief worden ingezet, verschrompelt het reactievermogen van veel te veel journalisten.

Hetzerig raaskallen

Een dieptepunt in deze draaimolen van incompetenties, was de uitnodiging en het hetzerig laten raaskallen van rapper Appa in het programma ‘Jouw vrijheid, mijn vrijheid’ van NPO1. Daar werd een flink debat geambieerd over de vrijheid van meningsuiting na de Parijse aanslagen. Wat Appa er te zoeken had, blijft een raadsel. Deze producent van hatelijke tirades tegen joden die hij gemakshalve zionisten noemt, werd ondanks zijn racistische vuilbekkerij geschikt bevonden als verkondiger van opinies die ertoe doen. Alsof de redactie vergeten was dat hij op Gaza-manifestaties schuimbekkend rapte over ‘zionistische honden die uit zijn op ons geld en bloed,’ en de volgende opruiende wens uitte: ‘het moet afgelopen zijn met deze ratten’. Alsof een gesprek in alle redelijkheid mogelijk zou zijn met zo iemand die het presteerde in de studio ‘respect en ruimte’ op te eisen, maar bij elke repliek agressief sneerde. Uiteraard werd hij niet weersproken of tot orde geroepen na zijn pathologische aanvallen, opdat hij met trillende neusvleugels kon nabriesen en met schichtig heen en weer schietende ogen – iemand aankijken die tegen hem praatte was kennelijk te veel gevraagd – naar het publiek kon loeren. Dat gunde hem dan ook een daverend, hartelijk applaus. Want zo zien we kennelijk onze moslims graag: boos, onredelijk, in de aanval, liegend en verdraaiend waar je bij staat, de ander beschuldigend nog voordat hij of zij haar mond open doet en tot slot, de uitputting van de kokende contramine nabij, zalvende formules over respect en fatsoen prevelend. Voor die charlatanerie wordt graag geklapt.

Van de presentatoren Eva Jinek en Art Rooijakkers geen zinnig tegenwoord. Weliswaar wekten ze niet de indruk het met Appa eens te zijn, maar dat is dan ook het enige dat voor hen pleit. Ze bleken volstrekt niet opgewassen tegen het verbale geweld van de rapper die zich aan geen gedrags- en gespreksregel hield. Ze brachten het niet eens op om te vragen waarom Appa zijn geraaskal lardeerde met Netanyahu en wat joden te maken hebben met de afslachting van journalisten en de bescherming van de vrijheid van meningsuiting.
En kom dan niet aan met de mededeling dat de vrijheid van meningsuiting van Appa in het geding was geweest, indien een van de aanwezige journalisten een kritisch tegengeluid had laten horen of de rapper herinnerd had aan de vuiligheid over joden die hij tijdens Gaza-demonstraties uitkraamde. Niet eens de vraag hoe zijn gebruikelijke haatpreken zich verhouden tot zijn vals klinkende respectoproep. Het leek erop dat Appa genoot van zijn hypocriete praatjes, die hij ongestoord mocht spuien terwijl het journalistenduo lusteloos en sprakeloos toekeek. Wat een zwakte, wat een ontstellende incompetentie. Beunhazerij.

Dat had anders gekund, zo moeilijk is dat niet. Wanneer NPO1 intelligente en beschaafde duiders had uitgenodigd die konden reflecteren over verschillende standpunten, incluis Appa’s agitprop. ‘Beschaafd’ staat in dit geval voor de intellectuele en empathische capaciteit om te communiceren, in plaats van te mikken op intimidatie.

‘Foei’

Erger dan het geloei van een Appa, is de apathie van journalisten die geen repliek meer hebben tegen brutale idiotie of totalitair denken. Niet alleen voor de camera presteren ze ondermaats, ook als beheerder van opiniepagina’s zijn ze niet in staat de verspreiding van kromdenken en desinformatie te dempen. Hoe is het mogelijk dat we de afgelopen weken aan alle kanten rammelende opiniestukken konden lezen waarin bijvoorbeeld voor censuur gepleit werd, uit piëteit met de miljoenen moslims in Europa die nu eenmaal anders denken en voelen, en de roep weerklonk om het groeiende belang van hun religie te erkennen en morele ruimte te geven. Stukken die censuur gelijkstelden met vriendelijkheid, zonder een serieuze analyse te bieden van het geweld en de bedreigingen die zulke zelfcensuur tot doel hebben. Of stukken die de oorzaak van terrorisme loskoppelen van het islamistisch fanatisme en de religieuze haat, om die oorzaak in de ‘krachtwijken’ te leggen, bij een zo westers mogelijke schuld. En dan alle sentimentele, vredestichtende opinies die uitdoofden met dooddoeners over beledigen en kwetsen. Stukken die een recente terreurgeschiedenis onvermeld lieten waarin ‘belediging’ als smoes gebruikt is voor geweld, dreiging en terreur. Alsof de doodscultus van IS abrupt zou stoppen zodra er een unaniem Westers ‘foei’ tegen het beledigen zou klinken.

Het lijkt er niet op dat de redacteuren van opiniepagina’s zulke stukken terugstuurden naar de auteur met de vraag het gestelde behalve met emotie en multiculturele juichkreten ook met argumenten en feiten te onderbouwen. En als zo iemand toch bezig is: de standpunten eventueel te herzien of juist overtuigender te maken, afhankelijk van wat duchtig denkwerk heeft opgeleverd. In plaats daarvan heeft het er veel van dat men lukraak van alles publiceert, als het elkaar maar tegenspreekt. De kakofonie vervangt heldere gedachtenuitwisseling. Niet de kwaliteit van het argument, maar de agressiviteit ervan doet er toe. Heibel in de tent lijkt het gezochte doel, want: voer voor de sensatiebeluste lezer.

Gelukkig staan op de opiniepagina’s ook zinnige en intelligente stukken. Dat maakt de kwaliteitswillekeur des te onbegrijpelijker. De gelijkschakeling van idiote en intelligente opinies verzwakt het algehele discours in de media. De lezer, kijker of luisteraar raakt gewend aan dilettantisme, slordigheid, gesjoemel met feiten, de verdachtmaking van nuance en ironie. De relatie tussen feiten en waardeoordelen vertroebelt.

Journalistiek defaitisme en verraad

Bij de BBC is het al zover, daar heeft het hoofd van de Arabische afdeling van de zender aangegeven de daders van Parijs geen terrorist te willen noemen. Dat zou een waardeoordeel zijn. De BBC vindt dat in Parijs twee mensen twaalf mensen vermoord hebben. Iets anders beweren zou partijdigheid zijn en met zulke nuances moet rekening worden gehouden bij internationale uitzendingen. (Vertaling: met de term ‘terrorist’ zouden we wereldwijd moslims voor de borst stoten die in de slachters van Parijs geen misdadigers zien.) Wat de BBC doet is stuitend: onder het mom van respect voor de objectieve waarheid, nuance en precisie, wordt het nieuws diffuus, verdoezeld en vervormd gebracht. Zo werkt de logica van de geïndoctrineerde die dat wat niet deugt, juist rooskleurig afschildert.

Het is maar een kleine stap van deze BBC-dwaling tot de liegende en verzwijgende media in Houellebecqs Soumission. Bij Houellebecq zijn de journalisten lui, onkundig, onwetend, ongeïnteresseerd, intellectueel incapabel en bereid om zich te laten gebruiken. Ze laten censuur toe zelfs zonder censuurwetten. Ze laten het toe uit nalatigheid, desinteresse, slordigheid. Ook zo raakt de werkelijkheid vervormd en vervalst in de verslaggeving. Zo ver zijn we dus niet van Houellebecqs romaneske toekomstvisie verwijderd, temeer daar deze traditie van journalistieke lamlendigheid rond onderwerpen die met de islam te maken hebben, doorgegeven wordt aan de nieuwe generatie die het vak moet leren van de huidige broddelaars. Welnee, de media misdragen zich nog lang niet zoals in Soumission, maar ze komen inzake de islam soms gevaarlijk dicht bij ontoerekeningsvatbaarheid. Er zit in die onwaarschijnlijk aandoende utopie van Houellebecq teveel dat teruggrijpt op herkenbare situaties in het huidige Westerse medialandschap. Teveel om te kunnen beweren dat het journalistieke defaitisme en verraad in zijn roman in werkelijkheid volstrekt ondenkbaar zouden zijn.