De nieuwe Nederlandse kernwaarde van tolerantie tov LGBTQIers blijkt niet veilig in (extreem)rechtse handen.

Begin deze eeuw maakte de rechtse gemeenschap in ons land een opvallende politieke draai. Voorheen was men op cultureel gebied uitgesproken behoudend. Halverwege de jaren negentig stemde de overweldigende meerderheid van de Kamerleden van VVD en CDA bijvoorbeeld nog tegen het openstellen van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht. VVD-voorman Bolkestein stemde tegen, de directeur van het wetenschappelijk bureau van zijn partij sprak zelfs van het ‘heilloze homohuwelijk’.

De draai kwam vijf jaar later, in de periode Fortuyn. Met het openlijk benoeming van zijn eigen homoseksualiteit en het wijzen op intolerantie tov homo’s en lesbiennes in moslimkringen dwong hij rechts tot een keuze: ben je voor ons of voor hen? [Dat het een vals dichotomie was, en dat intolerantie tov wat we nu LGBTs noemen bepaald niet beperkt bleef tot moslimkringen, laten we hier even buiten beschouwing. Het gaat erom dat Fortuyn de keuze zo formuleerde, en dat velen op rechts die keuze ook zo ervoeren]

Zonder noemenswaardige worsteling maakte men op rechts vervolgens massal de keuze voor ‘onze’ homogemeenschap. Homo’s en lesbiennes zouden worden bedreigd door migranten met opvattingen die haaks stonden op onze cultuur. Het was reden om niet alleen de grenzen onmiddellijk dicht te gooien (als het aan Fortuyn lag kwam er geen islamiet meer in) maar ook de hier al woonachtige moslims te dwingen tot verdere integratie in ‘onze kernwaarden’ – waartoe nu blijkbaar opeens ook homorechten behoorden.

In zijn proefschrift getiteld De Conservatieve Revolte beschrijft Merijn Oudenampsen hoe de nieuwe ‘kernwaarde’  zo’n succesvol middel werd in de strijd tegen de islamitische nieuwkomers dat het in de daaropvolgende jaren een vast onderdeel van het rechtse retorisch arsenaal ging vormen. Met de regenboogvlag in de hand werd de moslim erop gewezen dat zijn/haar ‘onnederlandse’ opvattingen hier niet thuishoorden – en zij/hij zelf dus ook niet.

Het heeft een tijd gewerkt. In de middenjaren van dit decennium was een deel van de LGBT-gemeenschap nog zo onder de indruk van het argument dat de PVV dat 21% van de bezoekers van gaysite.nl aangaf op de partij te hebben gestemd tijdens de Europese verkiezingen van 2014 (‘Homo’s stemmen niet christelijk maar wel PVV‘). Maar de laatste jaren vertoont het rechtse pro-LGBT bolwerk steeds grotere scheuren. Een reeks van incidenten maakt duidelijk dat de verdediging van LGBT-rechten van nature geen rechtse hobby is. De oude homofobie steekt bij de extreemrechtse partijen en hun prominentste pleitbezorgers steeds vaker de kop op.

Aanvankelijk waren het nog vooral incidenten – de scheldpartijen van Jan Roos tegen Tofik Dibi bijvoorbeeld (“Kruip je weer in de kast?“). Een slag politieker werd het al toen PVV en FvD ervoor kozen om openlijk de kant te kiezen van voetbalanalyst Johan Derksen toen die in opspraak was gekomen vanwege het kleineren van de worsteling met de eigen identiteit van voetbalsupporter Bowi Jong (“Als je een beetje karakter hebt, kom je daar gewoon voor uit”).

De trieste oogst van de afgelopen week laat zien dat het gebruiken van homofobe beeldspraken weer doodnormaal is geworden in extreemrechtse kring. Een verhaal over het besluit van de Donald Duck om in het aprilnummer een lesbisch stelletje af te drukken leidde tot een vloedgolf aan ranzige reacties. De uiterst rechtse online hangplek TPO drukte zelfs een artikel af waarin het Jeugdjournaal ervan werd beschuldigd kinderen te ‘brainwashen’ door te ‘eisen’ dat het weekblad ook LGBT-stellen opnam in hun verhalen (“Jeugdjournaal brainwashed [sic] kinderen en terroriseert Donald Duck“).

Inmiddels kijkt niemand er meer van op als Wilders het heeft over ‘het handtasje‘ van Rutte. In elk ander land zou het tot een politieke rel van de buitencategorie hebben geleid. In ons land leidde het hooguit tot een schouderophalende reactie bij andere partijen en journalisten. “Ach ja, homofobie hoort nu eenmaal bij extreemrechts”, zo straalde men uit. Misschien klopt dat – in het begin van dit decennium toonde onderzoek van het SCP al aan dat homofobie bij PVV-aanhangers nooit helemaal was verdwenen. Toch zou het wel moeten schokken. En ook tot nadenken moeten aanzetten. Partijen waarvan de partijleiders homofobe uitspraken doen of in elk geval homofobe uitspraken verdedigen, met aanhangers die zich te buiten gaan aan ranzige homofobe scheldpartijen, staan op ongeveer 20 procent in de peilingen. De nieuwe Nederlandse kernwaarde van tolerantie ten opzichte van LGBTQIers is dus blijkbaar helemaal niet zo diep verankerd als we een paar jaar geleden dachten. Dat lijkt me een even opmerkelijke als zorgwekkende vaststelling.