Wat moeten we eigenlijk met de zwarte bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis? Hoe gaan we om met de pijnlijke, beschamende en betreurenswaardige momenten uit het verleden van Nederland?

Schaamte en trots

Toen Piet Emmer in zijn grote studie over de Nederlandse slavenhandel schreef dat tegenwoordig uiteraard ieder weldenkend mens zich hiervoor schaamt, schoot dat de gereformeerde historicus Th.A. van Deursen, wellicht de grootste kenner van de zeventiende-eeuwse Republiek, in het verkeerde keelgat. Hoe kon je je schamen voor iets waarvoor je geen enkele verantwoordelijkheid draagt? En waarom zou je trots zijn op iets dat je zelf niet gedaan hebt? Historici zouden zich niet bezig moeten houden met zaken als schaamte of trots, omdat je dan jezelf tot maatstaf maakt. ‘Maar,’ aldus Van Deursen, ‘geschiedenis gaat niet over onszelf, ze gaat over andere mensen. Die moeten dan ook de maatstaf zijn. Hun moeten wij recht doen. Of ons dat stof geeft tot lijden of verblijden is niet van wezenlijk belang.’

Begrippen als ‘schaamte’ en ‘trots’ veronderstellen een vergaande identificatie met het verleden. Bovendien suggereren ze een collectieve verantwoordelijkheid of een collectieve verdienste. In het laatste hoofdstuk is al even gewezen op het eindeloze debat over de ‘nationale identiteit’, dat sinds het begin van deze eeuw opnieuw woedt. Vooral veel politici en opiniemakers lijken te worstelen met de vraag wie wij zijn, wat Nederland onderscheidt van andere naties, en wanneer mensen er echt bij horen. Vaak wordt de indruk gewekt dat het mogelijk is op deze vragen eenduidige antwoorden te geven, en dat degenen die daar zo hun twijfels bij hebben te kwader trouw zijn en het gezonde nationale besef willen ondermijnen. Niettemin blijft ‘nationale identiteit’ een moeizaam begrip. Zelfs één individu bezit al verschillende identiteiten. Wanneer ik me even tot mezelf beperk, moet ik constateren dat er op mij heel wat verschillende ‘etiketten’ van toepassing zijn. Ik ben Nederlands staatsburger, en deel zodoende een hele reeks rechten en plichten met de andere bezitters van een Nederlands paspoort. En in het buitenland voel ik me ook duidelijk Nederlander. Maar binnen Nederland ben ik vaak ook in de eerste plaats een Zaankanter, een inwoner van een apart gebied binnen Noord-Holland, vlak ten noorden van Amsterdam. En die Zaanse identiteit is niet helemaal identiek aan die van een Fries, een Zeeuw of een Limburger, en zelfs niet aan die van iemand die in Haarlem of Hilversum woont. Tegelijkertijd beschouw ik mezelf als een intellectueel die zich sterk verbonden voelt met de Europese (en dus westerse) cultuur, zodat ik in veel opzichten meer aµniteit heb met soortgenoten in Berlijn, Parijs, Londen, Madrid, Praag, Oslo of New York dan met een makelaar in Zaandam of een rijschoolhouder in Heerenveen. En dan ben ik bovendien ook nog een witte man van achter in de vijfig, waardoor ik een extra identiteit heb die in sommige kringen tegenwoordig als bijzonder verdacht geldt. En dan houd ik ook nog eens helemaal niet van voetbal, zodat ik wanneer heel Nederland zich in oranje hult een volstrekte buitenstaander ben. Overigens voel ik me prima bij al deze verschillende identiteiten en verlang ik helemaal niet naar één overkoepelende, allesomvattende identiteit.

gouda-sint-janskerk-glas25-prinz-von-oranien-detail

Willem van Oranje. Wikimedia / Wikipedia Commons

Wie willen wij zijn?

Wanneer het al niet echt mogelijk is om als individu één identiteit te bezitten, lijkt het me helemaal uitgesloten dat er echt zoiets zou zijn als een ‘nationale identiteit’. De vraag ‘Wie zijn wij?’ is dus niet te beantwoorden, maar we zouden ons wel kunnen afvragen: wie willen we zijn? Welke waarden vinden wij hier in Nederland belangrijk, welke normen willen wij stellen? En wanneer we dat doen, komen we automatisch uit bij de democratische rechtsstaat zoals we die nu al een eeuw kennen. Dat wil zeggen dat we accepteren dat we allemaal bepaalde rechten en plichten hebben, dat de overheid ons specifieke vrijheden garandeert, en dat we het binnen die ruimte naar hartenlust met elkaar oneens mogen zijn. En dat geldt ook voor onze kijk op het verleden. Wanneer we willen, kunnen we uit het verleden lessen trekken, kunnen we vaststellen welke opvattingen en daden bijdragen aan een harmonieuze en florerende samenleving, en welke opvattingen en daden doorgaans leiden tot verdeeldheid en ontwrichting. En uiteraard hoeven we niet dezelfde conclusies te trekken, want de geschiedenis is er niet in de eerste plaats om saamhorigheidsgevoel te kweken. Het verleden is van de mensen die toen leefden, en wij kunnen hooguit vaststellen welke aspecten wij positief of negatief waarderen.

Net zomin als er voor ons reden is om trots te zijn op wat Willem van Oranje, Rembrandt, Spinoza, Thorbecke en Willem Drees hebben gedaan, is het nodig om ons te schamen voor, laat staan schuldig te voelen, over de daden van Jan Pieterszoon Coen, de slavenhandelaren, fabrikanten die jonge kinderen uitbuitten, kolonel Frits van Daalen en Meinoud Rost van Tonningen. De huidige bevolking van Duitsland achten we immers ook niet schuldig aan de Tweede Wereldoorlog en de Shoah. Maar misschien kunnen we wel van de Duitsers leren dat het goed is om het eigen verleden kritisch onder ogen te zien en te constateren waar het in het verleden soms misging. Uiteraard kunnen we eventueel leed niet ongedaan maken, en ook heeft het weinig zin om onszelf af te schilderen als een nietswaardig en verachtelijk volkje, maar wellicht kunnen we er iets van opsteken. Misschien kunnen we bepaalde fouten uit het verleden in de toekomst voorkomen, en bovendien is het altijd goed om gevoelens van zelfgenoegzaamheid te temperen.

Roger Scruton. Wikimedia / Wikipedia Commons

Oikofobie

Wie een blik werpt op de zogenoemde zwarte bladzijden is geen ‘nestbevuiler’ of iemand die lijdt aan wat de Engelse conservatieve filosoof Roger Scruton ‘oikofobie’ noemt – een ‘ziekelijke afkeer van het eigene’. Wie zich rekenschap geeft van de duistere of onaangename kanten van het nationale verleden, besef dat het goed is kritisch te kijken naar zichzelf en de gemeenschap waar hij of zij deel van uitmaakt. Want evenmin als een individu bestaat een natie uit louter positieve eigenschappen. Natuurlijk is het aantrekkelijk om Nederlanders te karakteriseren als vrijheidslievend, tolerant, nuchter en ondernemend – maar is dat alles? De voorgaande hoofdstukken hebben in ieder geval laten zien dat het in de Nederlandse geschiedenis bepaald niet heeft ontbroken aan periodes vol onderdrukking, onverdraagzaamheid, hysterie en agressie.

Zoals reeds opgemerkt gaat het bij het bestuderen van zwarte bladzijden niet primair om het vaststellen van de ‘schuld’. Dat is een juridische term, en de geschiedenis is geen rechtbank. Er wordt tegenwoordig door veel mensen heel sterk gedacht in termen van rechten: je verlangt niet simpelweg naar iets, maar je hebt er gewoon recht op. Dus sta je erop dat je in het gelijk gesteld wordt, dus ben je geneigd naar de rechter te stappen. In het dagelijks leven levert dat al de nodige problemen op, want wanneer twee mensen graag iets willen, is vaak een compromis mogelijk, maar wanneer ze beiden ervan overtuigd zijn dat ze er recht op hebben, kan er slechts één winnen en blij™ de ander met lege handen achter.

Thom Karremans en Joris Voorhoeve. Wikimedia / Wikipedia Commons

Srebrenica en Indonesië

Nog problematischer wordt het wanneer we de geschiedenis op deze manier te lijf gaan. En tegenwoordig gebeurt het regelmatig dat de geschiedenis in de rechtbank opnieuw wordt uitgevochten. Zo zijn nabestaanden van twee Molukse terroristen naar de rechter gestapt, evenals de vrouwen van Srebrenica. De eerste rechtszaak is in mijn ogen ronduit bespottelijk: wie onschuldige burgers van hun vrijheid berooft en dreigt dood te schieten, weet dat hij of zij een groot risico loopt bij deze actie om te komen. Maar ook met de rechtszaak tegen de Nederlandse staat wegens de val van Srebrenica heb ik moeite. Uiteindelijk zijn de moslimmannen vermoord door Bosnische Serviërs, dus grof gezegd door buren van de slachtoffers. Het voormalige Joegoslavië stortte zich begin jaren negentig van de vorige eeuw in een burgeroorlog, waarna de internationale gemeenschap een tamelijk halfslachtige poging deed om het bloedvergieten te stoppen. Op de manier waarop dat gebeurde is veel kritiek mogelijk, er zijn veel inschattingsfouten gemaakt, er is regelmatig inconsequent of gewoon onjuist gehandeld, maar uiteindelijk was het wel een Joegoslavische affaire. Het is zonder meer waar dat de Nederlandse politiek en de militaire top in dezen veel verweten kan worden, en met name Dutchbat III heeft geen glansrol gespeeld, maar Nederland had ook de armen over elkaar kunnen slaan en van een afstand kunnen toekijken hoe de inwoners van de Balkan elkaar afslachtten.

De geschiedenis bestaat voor een flink deel uit tragedies, die onomkeerbaar zijn en generaties lang pijn blijven doen. Het is de vraag rechtszaken voeren die pijn verlicht. En toch lijkt de neiging om de geschiedenis voor een tribunaal te slepen steeds sterker te worden. In tal van kwesties worden op z’n minst schuldbekentenissen verwacht, gevolgd door officiële excuses en bij voorkeur ook schadevergoeding of smartengeld. Dit speelt onder meer bij de oorlogsmisdaden die Nederlandse militairen in Indonesië gepleegd hebben, en bij het slavernijverleden. In het eerste geval zijn nog altijd partners en kinderen van de slachtoffers in leven, zodat er gesproken kan worden van een direct belang. Maar de Nederlandse politici en militairen die verantwoordelijk waren voor de wijze waarop de oorlog gevoerd werd zijn inmiddels overleden, zodat onduidelijk is wie er in de beklaagdenbank zitting moeten nemen. En in het geval van de slavenhandel en de plantage-economie in Suriname zijn ook de laatste slachtoffers en hun kinderen reeds lang geleden overleden. Excuses aanbieden wordt dan vanzelf gratuit, want wie moeten precies excuses aanbieden, en aan wie? Bovendien kun je wel aan de gang blijven, en zou Nederland ook excuses kunnen eisen van Frankrijk en Spanje, omdat die twee landen ons land ooit hebben bezet en onderdrukt.

Uiteraard is het uitstekend om het historische debat te blijven voeren, zeker als het gaat om pijnlijke en beschamende episodes als de oorlog in Indonesië en de slavernij. Ook kun je heel goed discussiëren over de wijze waarop je het verleden herdenkt. Op het moment dat ik dit schrijf woedt in de Verenigde Staten het debat over de standbeelden van politici en generaals die tijdens de Burgeroorlog aan de kant van de Confederatie vochten en zich dus verzetten tegen de afschaffing van de slavernij. En ook in ons land wordt er nog altijd gediscussieerd over bepaalde beelden. Niet alleen over dat van Jan Pieterszoon Coen, maar ook over dat van Michiel de Ruyter, omdat hij kasteel Elmina in het huidige Ghana heeft heroverd, waardoor hij de slavenhandel faciliteerde. Voorstanders van het verwijderen van dergelijke beelden wijzen erop dat hun aanwezigheid op pijnlijke wijze herinnert aan een schandelijk verleden, terwijl tegenstanders van mening zijn dat je de geschiedenis niet moet ‘wegpoetsen’. Voor beide argumenten valt veel te zeggen, en je zou van geval tot geval moeten kijken wat nu eigenlijk de doorslag moet geven, waarbij het soms een goede oplossing zou zijn om het betwiste beeld onder te brengen in een museum, waar het in zijn context kan worden tentoongesteld.

 

Simplistische tegenstellingen

Wat echter heel weinig zin heeft, is blijven denken in collectieven. Volgens sommige activisten zijn ‘de zwarten’ collectief slachtoffer van de door ‘de witten’ bedreven slavenhandel, wat zou betekenen dat ‘de’ Nederlanders collectief ‘schuldig’ zijn. Mijn grootvader werd geboren in 1894, dus 31 jaar nadat in Suriname de slavernij was afgeschaft. Ben ik niettemin medeschuldig? En hoe zit het eigenlijk met het zwarte aandeel in de slavenhandel? Met dit soort simplistische tegenstellingen tussen ‘daders’ en ‘slachtoffers’ ben je alleen maar bezig nieuwe scheidslijnen en vijandschappen te creëren. En waartoe dat kan leiden heeft de geschiedenis bij herhaling laten zien.

 

Uitgelichte afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons

 

Met dit essay sluit Rob Hartmans zijn nieuwste boek, Zwarte Bladzijden, af. Het boek kunt u hier bestellen.