Ik kom graag en geregeld in zaaltjes voor een goed gesprek. En als het over islam en moslims gaat, kabbelt het zelden. Mensen worden emotioneel, stellen drastische maatregelen voor of hebben bizarre standpunten. Gezien de dreiging van het jihadisme, de barbarij van ISIS, de moord op Theo van Gogh, de bedreiging van afvallige moslims als Ayaan Hirsi Ali, begrijp ik dat wel. En ik begrijp het ook als moslims boos worden als ze al die ellende hoogstpersoonlijk in de schoenen krijgen geschoven. Toch zou er, voorbij de eerste emotie, een fatsoenlijk debat mogelijk moeten zijn. Maar als ik dat probeer, merk ik dat dat debat van drie kanten onmogelijk wordt gemaakt.

1. Door het verwijt van ‘islamofobie’.

Er worden VN-conferenties over gehouden. De Organisatie van Islamitische Staten voert er een kruistocht tegen. Toen Frans Timmermans in de Kamer een indrukwekkende rede hield tegen antisemitisme, noemde hij in één adem islamofobie een even groot kwaad. Kortom, het is iets heel ergs en zou even erg zijn als racisme en antisemitisme. Maar wat het ook is, het ìs niet even erg als racisme en antisemitisme. Mensen fysiek of verbaal bedreigen vanwege hun huidskleur of omdat ze Jood zijn, is altijd en overal fout. Aan de kleur van je huid of het feit dat je Jood bent, kun je niets doen en is in een debat dus irrelevant. Maar in het islamdebat gaat het niet om de huidskleur van moslims, maar om hun overtuiging. En een geloofsovertuiging is een vrijwillige keus, geen noodlot, daar mag je van alles van vinden. Kritiek op overtuigingen van moslims maakt deel uit van een ideeënstrijd en daarin mag het er scherp aan toe gaan. Dat moet je niet verhinderen met dat rare verwijt van islamofobie.

2. Door Wilders.

Altijd makkelijk om Geert Wilders ergens de schuld van te geven. Maar in dit geval snijdt het hout. Hij heeft zijn strijd tegen ‘de’ islam namelijk vervuild met integratiekwesties, heeft een legitieme ideeënstrijd vermengd met kritiek op ‘Marokkanen’. Dat deed hij al langer, maar wel heel nadrukkelijk bij die vreselijke ‘minder, minder-bijeenkomst’ van zijn partij. Toen werden Marokkaanse Nederlanders niet langer aangesproken op hun gedrag, moslims niet langer op hun overtuiging, maar werd een bepaalde etnische groep gereduceerd tot afkomst en kleur. Hier werd over medemensen gezegd dat ze tot een categorie behoren waarvan er minder moeten zijn. Het werd een groep waarmee Wilders dreigde te doen wat zijn achterban vlak daarvoor uitschreeuwde: verminderen in aantal. Ga dan nog maar eens een fijne ideeënstrijd aan…

3. Door betuttelracisme

Kritiek op christenen is geen probleem. Sneue pogingen van D66 om alles wat ons publiekelijk herinnert aan het christendom kunnen in alle vrijheid worden ondernomen. Van socialisten, liberalen en feministen mag je ‘for the sake of argument’ in een debat best een karikatuur maken. Maar als het over de islam gaat moet het omzichtig. En het gekke is dat als ik de grote verschillen tussen evangelie en islam probeer te schetsen en mijn zorgen over de huidige islam uit, ik zelden een probleem met moslims heb. Ook in de zeven jaar dat ik in Egypte woonde, heb ik in persoonlijke gesprekken mijn diepste bezwaren en zorgen kunnen uiten, zonder één keer ruzie te krijgen. De grootste problemen heb ik met niet-moslims die vinden dat ik te scherp richting moslims ben. Eddy Terstall heeft me daar het juiste woord voor aangereikt: betuttelracisme. Opvattingen van moslims ontzien omdat moslims langere tenen zouden hebben dan andere mensen, omdat ze zich minder goed zelf kunnen verdedigen. Het is ‘betuttelracisme’, is vernederend voor moslims en verhindert een zinnelijk, volwassen islamdebat.

Gert-Jan Segers is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie