“Over hooligans moet je niet zeuren, treed liever tegen ze op” stelde Dilan Yesilgoz op 10 december in NRC Handelsblad. Ze stoorde zich aan de slappe manier waarop zich misdragende ‘supporters’ van FC Utrecht door het clubbestuur worden aangepakt. Volkomen eens dacht ik, maar het probleem is niet tot de aanpak van voetbalvandalen in de Domstad alleen beperkt.

Nederlanders en gezag. Het is een wat moeizame relatie. We vinden het vaak moeilijk ons eraan te onderwerpen. Een beetje recalcitrantie en eigengereidheid zijn natuurlijk prima. Maar het is wel zo prettig als we ons verder binnen redelijke grenzen betamelijk gedragen en dat daarop wordt toegezien. En dat er wordt ingegrepen wanneer die grenzen worden overschreden. Dat gebeurt helaas lang niet overal waar het nodig is. Gezag uitoefenen zit ook niet meer in de vaderlandse sociale genen.

Volgende keer niet meer doen

Het zijn kleine en grote dingen. Je mag je natuurlijk nooit met de opvoeding van andermans kinderen bemoeien maar er zijn nogal wat jengelende ettertjes die eerder een oorvijg dan een Capri-Sun verdienen. En in de trein zie ik regelmatig dat een conducteur een overduidelijk lulverhaal van een zwartrijder begripvol aanhoort en na uitleg van de regels het gesprek afsluit met “volgende keer niet meer doen want mijn collega’s zijn strenger.” Nee dat zijn die dus veelal niet. Nu snap ik ook wel dat die conducteur geen zin heeft in gezeik en al helemaal niet in een knal voor zijn kop maar op deze manier bouw je als beroepsgroep geen gezag op. Als je een bleekneuzig studentje met een overduidelijke smoes dat ie zijn OV-kaart nog steeds niet begrijpt niet durft te bekeuren dan ondergraaf je je eigen autoriteit en wordt je niet meer serieus genomen. En wordt de kans op meer trammelant in de toekomst alleen maar groter.

Las laatst ook iets over de keurige Gooise gemeente Soest waar een groep hangjongeren zich had kunnen ontwikkelen van een vervelende puberale bijkomstigheid tot een ronduit criminele en agressieve club. In plaats van ze gezwind in de kraag te vatten was de lokale hermandad met het crapuul in contact getreden in een poging ze middels een constructieve dialoog tot enige redelijkheid te manen. Ook was een parkje met aangename hangvoorzieningen ingericht in de hoop dat dit tot minder overlastgevend gedrag zou leiden. Toen dit alles niet geheel onvoorspelbaar geen effect sorteerde werden de omwonenden door de gemeente op cursus gestuurd zodat ze zich zouden kunnen verplaatsen in de wereld van de hangjeugd en begrip op te brengen voor hun situatie.

George Kelling en James Wilson (1982) verwoorden hun verklaring voor uit de hand lopende en escalerende (jeugd)criminaliteit als volgt: “if the first broken window in a building is not repaired, the people who like breaking

windows will assume that no one cares about the building and more windows will be broken. Soon the building will have no windows…”

Dat is exact wat we zien bij de hooligans in Utrecht en de hangjongeren in Soest. Door niet vroegtijdig in te grijpen en niet corrigerend op te treden loopt het steeds verder uit de hand.

De politie is (niet) je beste vriend

Het probleem van falende gezagsdragers die dit nalaten is dat ze ‘lief’ gevonden willen worden. Niemand wil een boeman zijn. In het magische jaar 1968 werd deze ‘I’m okay, you’re okay’ grondhouding officieel beleid en samengevat in de slogan ‘de politie is je beste vriend’. Om zich vervolgens als een etterende zweer te nestelen in tal van maatschappelijke instanties. Maar met lief zijn en vriendjes maken alleen redden we het niet. Dat is de weg van de gemakzuchtige minste weerstand. “Voor geloofwaardigheid heb je nou eenmaal ballen nodig. Hoog tijd om er een paar te kweken” schreef Yesilgoz. Laten we hopen dat er in onze maatschappij nog voldoende genetisch materiaal over is om dat ook daadwerkelijk te doen.