Over een persoonlijke Werdegang, progressieve intellectuele luiheid en de vervolging van Geert Wilders.

De moord op Pim Fortuyn kwam me erg gelegen. Het was de meivakantie van 2002 en ik had een belangrijke stap gezet. 15 jaar was ik al, en ik zat in de 4e klas van een keurig blank atheneum in de Randstad, maar nog altijd hing in mijn jongenskamer dat behang met plaatjes van raceauto’s. En ik hield niet eens van auto’s. Zoals ik tien jaar eerder stoer had willen zijn door dit behang te kiezen, zo wilde ik nu stoer zijn door het over te schilderen. Eén effen kleur moest het worden. Het werd tijd dat ik serieus werd genomen.

Voor dit saaie klusje had ik de verfkwast nog niet ter hand genomen, of de afleiding werd me in de schoot geworpen. ‘Zet de radio aan, Pim Fortuyn is neergeschoten!’ Mijn moeder riep het van onderaan de trap. Adrenaline door mijn lijf. ‘Yes! Net goed.’ Ik dacht het, misschien riep ik het zelfs naar mijn moeder. Tja, eigen schuld toch? Die man had zoveel nare dingen gezegd, zoveel mensen gepest, getreiterd, uitgedaagd. Dan vroeg je er toch om?
De televisiebeelden kwamen, en ook de rellen en herdenkingen, de rouwstoet en de uitvaart. Natuurlijk was het heftig, en ja het ging ook wel erg ver hoor, zo’n politieke moord. Maar was het niet ergens toch ook wel een opluchting? Ruim een week voor de verkiezingen was de grote bedreiging voor onze samenleving, die enge gevaarlijke man, uit de weg geruimd.
Ook op 2 november 2004 had ik nog niet goed door wat er aan het gebeuren was in de samenleving. Toen ik, als kersverse geschiedenisstudent aan de Universiteit van Amsterdam, tussen twee colleges door, hoorde dat er een paar tramhaltes verderop een rituele slachting was uitgevoerd op een provocatieve filmmaker, haalde ik mijn schouders op. Had ik er last van, zou ik hem missen? Nee, ik had alleen maar vervelende dingen over hem gehoord. Een charlatan, een onbeschofte ruziezoeker, een morsig mannetje, dat was hij toch? Moesten we daar nou zo’n ophef over maken? De onvergeeflijke denkfouten die ik had gemaakt begon ik pas jaren later te doorzien.

‘Zet de radio aan, Pim Fortuyn is neergeschoten!’ Mijn moeder riep het van onderaan de trap. Adrenaline door mijn lijf. ‘Yes! Net goed.’

Waarom vertel ik dit? Allereerst omdat ik me verbaas en schaam over mijn domheid van toen. Maar ook omdat ik mijn domheid van toen wil begrijpen, zoals we al onze fouten moeten leren begrijpen om ze in de toekomst te voorkomen. Ik wil ermee illustreren hoe subtiel doctrines kunnen werken, zelfs in een vrije en welvarende maatschappij als de onze. Want hoe kwam het dat ik blijdschap voelde bij de laffe moord op een democratisch politicus? Op iemand die weliswaar tegendraadse opvattingen verkondigde, maar die geen haat predikte maar (soms zelfs vleselijke) liefde; die nooit dreigde met geweld of anderen daartoe opriep; die zich te midden van één van de oudste en meest stabiele democratieën ter wereld feitelijk als vriend van de bestaande, traditionele orde presenteerde?

D66 en de VPRO-gids

Mijn hele omgeving werkte mee. Mijn ouders stemden D66, we hadden sinds jaar en dag de VPRO-gids. Mijn beste vriend kwam uit een rood gezin. Elke zaterdagavond keek ik naar die populaire VARA-programma’s, fossielen uit de jaren ‘90 waarin het leven goed was en futiel. Het hoogtepunt van mijn zaterdagavond was Kopspijkers, met die cabaretiers die zo lollig politici konden imiteren. Ze staken niet alleen de draak met die gekke Fortuyn, ze ridiculiseerden ook de doodsbedreigingen aan zijn adres die hem in een benarde positie brachten. Haha, ‘demoniseren’ noemde hij het, heel grappig. Wie was hier nu de echte dreiging? Fortuyn, Leefbaar Nederland, de LPF! Alle politici, journalisten en cabaretiers die voor mij op een voetstuk stonden spraken zich er fel tegen uit. ‘Minderwaardig mens’, ‘ophitser’, ‘gif’. De vergelijkingen met de ergste massamoordenaars en de Jodenvervolging waren niet van de lucht.

Paarse morele zelfgenoegzaamheid

Alles in mijn omgeving ademde de morele zelfgenoegzaamheid van de Paarse periode. Niet alleen waren onze eigen opvattingen pragmatisch-links en kosmopolitisch, er heerste bovendien een vanzelfsprekende consensus: alle andere opvattingen waren sowieso onjuist, maar nog meer dan dat, ze waren minderwaardig, ethisch verwerpelijk. De lijn van Hans Dijkstal werd nog net getolereerd, maar eigenlijk was de VVD al ‘fout’. Pafferige grootkapitalisten waren die VVD’ers, met vervuilende auto’s en stinkende sigaren, golfbaandealtjes en een aangeboren hekel aan minderbedeelden. En CDA’ers? Dat waren gekkies uit een ander tijdperk, boeren die de kerk niet van de staat konden onderscheiden. Wie nog ‘rechtser’ was, was plebejer, white trash, neonazi – politiek niet serieus te nemen.
Voor een weldenkend mens bestond er feitelijk niets buiten de paarse dogma’s, vooral waar het ging om de ethische kwesties en de internationale, multiculturele toekomst van Nederland. Wat rond de millenniumwisseling gold als een fatsoenlijk debat was niet een openhartige uitwisseling van tegenovergestelde standpunten, maar louter een test van ideologische zuiverheid. En als er al echt afwijkende meningen aan het woord kwamen, was het in halve freakshows zoals Het zwarte schaap met de sensatiezoekende Inge Diepman of Het Lagerhuis met het morele anker Marcel van Dam en diens amechtige aangever Paul Witteman.

Pim Fortuyn noemde de sketches van Kopspijkers demoniserend.

Pim Fortuyn noemde de sketches van Kopspijkers demoniserend.

Het demoniseren van Fortuyn gebeurde gewoon en iedereen die zichzelf respecteerde en als respectabel te boek wilde staan ging er in mee. Al mijn rolmodellen, en ik dus ook. Toen Volkert van der Graaf de trekker overhaalde, ging er naast de schokgolf ook een onmiskenbare golf van opluchting door het land. In ieder geval heb ik hem gevoeld. Er was iets uitgeschakeld dat uitgeschakeld moest worden.
Door zijn dood onthulde Fortuyn, de grote uitdager van de gevestigde orde, ongewild hoe zwak het publieke debat was. Niet dat Melkert, Rosemöller, De Graaf, Van Dam en die vele anderen de trekker hebben overgehaald – o nee, dat zouden ze nooit doen. Maar zij waren wel de boegbeelden van een cultuur die de politieke opvattingen van Fortuyn onmiskenbaar moreel diskwalificeerden. De moord was de uitkomst van een publiek debat waarin ‘goede opvattingen’ niet beargumenteerd hoefden te worden. Een debat dat doordrongen was van twee gevaarlijke tendensen. Ten eerste heerste er een kwalijke intellectuele luiheid, een collectieve onwil om eigen opvattingen te beargumenteren en te verdedigen tegenover andersdenkenden. Ten tweede was er de meer kwaadaardige intellectuele tirannie, de neiging om andere opvattingen te onderdrukken als immoreel, als ‘fout!’ De eigen standpunten waren moreel superieur en spraken dus voor zich. Wie dat niet wilde inzien was gek of gevaarlijk.

Nieuwsgierig

Na 2004 werd ik langzaam volwassen, in mijn nieuwe thuis, Amsterdam. Daar werd ik assertief en nieuwsgierig en kreeg ik waardering voor de vele variaties in de menselijke soort. Ik ging boeken lezen over politieke geschiedenis en filosofie, over democratie en technocratie, over ‘populisme’ en totalitarisme. Kriskras, van de klassieke Oudheid naar Hegel, Tocqueville, Marx, Huizinga, Foucault. De geschiedenis leerde me dat niets vanzelfsprekend is, zeker niet de open, democratische rechtstaat waarin ik leefde. En meer nog dan boeken werd ik gevormd door mijn nieuwe omgeving. Mijn omgeving bestond uit onvervalste communisten en anarchisten, maar ook ‘rechtse’ mensen: liberalen, libertariërs, conservatieven. Om over de dikke koek van vlotte D66-jongens en gebloemjurkte Groenlinksmeisjes maar niet te spreken. Onze discussies waren vaak fel maar ook oprecht, op de inhoud. Diepe academische verhandelingen vonden plaats in de kroeg, terwijl op college de kroegpraat overheerste.
Ik studeerde in 2010 af en begon aan een proefschrift over politieke geschiedenis. Daarnaast ging ik opiniestukken en columns schrijven, meedoen aan het publieke debat, discussies uitlokken en reageren op anderen. Soms provocerend, maar steeds vanuit de overtuiging dat een stevig en openhartig publiek debat (met enig historisch besef) gezond, ja zelfs noodzakelijk is voor een democratie. Meer en meer is me daarbij gaan opvallen hoe doctrines werken. Al naar gelang de doctrines van vrienden, kennissen, collega’s, ben ik uitgemaakt voor ‘links’ of voor ‘rechts’, voor academicus of voor populist, voor kosmopoliet of voor nationalist. Waarschijnlijk ben ik het allemaal, het doet er hier niet toe.

Luiheid en tirannie

Zelf heb ik me ervan proberen te bevrijden, maar in het maatschappelijk debat zijn de intellectuele luiheid en intellectuele tirannie waaraan Fortuyn ten prooi viel nog lang niet verdwenen. Neem Geert Wilders. Die heeft ‘kopvod’ gezegd en zijn schare ‘Minder! Minder! Minder!’ laten roepen, hij heeft een Franse ‘extreemrechtse’ politica uitgenodigd – dus. Ja, dus wat eigenlijk? Argumenten horen we niet. De man deugt gewoon niet. Vieze smaak in je mond. Geen aandacht aan besteden.
Om zelf eens te zien hoe intellectuele luiheid werkt, kun je het volgende experiment doen: laat bij een geëngageerde borrel in De Balie, met je quinoa in de rij bij de Marqt of in de pauze bij het filmhuis de opmerking vallen dat je een aardig (aardig – meer hoeft niet) artikel in De Telegraaf hebt gelezen. Probeer het eens. Wacht een paar tellen. De pupillen worden groter, lippen op elkaar. Schrik. Nog even wachten. Mond open, wenkbrauwen omhoog, wegkijken, steun zoeken bij de anderen. Ongeloof. En dan, het heeft lang genoeg geduurd, zeg je dat er ook een belangwekkend (belangwekkend – dit is de juiste toon) stuk in de Groene Amsterdammer stond. Glimlachen. Knipperen, mondhoeken omhoog, rechte blik. Geruststelling. Het ‘Piketty-syndroom’. Wie het ‘goede’ zegt, wordt kritiekloos omarmd.
Als je het andere fenomeen, dat van de intellectuele tirannie, wilt ervaren, zou je het beste een speciale positie moeten bekleden. Bijvoorbeeld als topambtenaar, diplomaat of hoogleraar aan een universiteit – liefst een baantje met flink wat maatschappelijk aanzien. En laat dan eens hier en daar, bij een oratie of klassiek concert, of op televisie in een talkshow, blijken dat je eigenlijk wel begrip kunt opbrengen voor de standpunten van de PVV. Dat je dat boek van Wilders bij die Amerikaanse uitgeverij eigenlijk wel goed geschreven vond. Kijken wat er dán gebeurt. (Alleen proberen met een contract voor onbepaalde tijd – bij voorkeur ná je beoordelingsgesprek.)

‘Ik heb onlangs een aardig artikel in de Telegraaf gelezen.’ Gevolgd door: ‘Er stond ook een belangwekkend stuk in de Groene Amsterdammer.’

Wilders

Geert Wilders

Geert Wilders

Het is natuurlijk van alle tijden en alle milieus dat we ons eigen wereldbeeld graag bevestigd zien en geneigd zijn om voor tegenovergestelde meningen, en ook voor de dragers ervan, onze neus op te halen. Maar je zou toch denken dat er juist in Nederland – na twee recente politieke moorden plus de groeiende dreiging van islamistisch terrorisme van buitenaf en van binnenuit – wat meer waardering zou bestaan voor een vrij publiek debat. Voor een felle discussie zonder die gemakkelijke morele diskwalificaties. Voor het grondrecht van de tegenstander om zijn eigen mening te hebben, ongeacht hoe hartgrondig je het er mee oneens bent. Er zou toch langzamerhand een collectieve waakzaamheid moeten zijn ontstaan voor het doorwerken van de mechanismen van intellectuele luiheid en intellectuele tirannie? En een bereidheid om de eigen principes keer op keer te toetsen en te verdedigen?
Blijkbaar niet. Het Openbaar Ministerie achtte het vorige week opnieuw verstandig om juist Geert Wilders te vervolgen. Een democratisch verkozen politicus die al tien jaar (op de kop af deze week – gefeliciteerd, lieve rechtstaat!) permanent beveiligd moet worden, vanwege opvattingen die overigens, wat je er ook van vindt, allesbehalve antiparlementair of antidemocratisch te noemen zijn.
Wie denkt de waarheid in pacht te hebben en zich de hooghartigheid toestaat die we zagen tegenover Fortuyn in 2002, die moet zich realiseren dat Fortuyns toen zo ‘radicale’ analyses tegenwoordig gemeengoed zijn geworden in de politiek. In een vrije wereld kan alles veranderen en spreekt niets voor zich. Dat is wat mij betreft een groot goed.