Nederland heeft zijn religieuze wortels vervangen door spirituele groei en lifestyle. Gevolg is toenemende verwarring over religie. Dat bleek ook uit de reacties die burgemeester Aboutaleb begin dit jaar kreeg. Hij stelde dat elke moslim een beetje salafist is. Juist vrome moslims kunnen ons behoeden voor extremisme.

Dat religies behalve overtuigingen ook religieuze wetten kennen, zien Leidse rechtsgeleerden als Paul Cliteur en Afshin Ellian als levensgevaarlijk. Toch was de oudste faculteit van de Europese universiteiten gewijd aan het canoniek recht en kent het jodendom in Nederland al eeuwen een religieuze rechtbank.

De opkomst van fundamentalisme heeft voor nieuwe onrust gezorgd. Sommige Nederlanders verwarren het met hun eigen – niet altijd zo geslaagde – religieuze opvoeding. Anderen identificeren orthodoxie met fundamentalisme terwijl die twee juist behoorlijk van elkaar verschillen. Dat er in de jaren tachtig neo-orthodoxe christenen uit de school van Karl Barth waren die qua politiek eerder bij de CPN dan de PPR thuishoorden, zal menig GroenLinkser verrassen. Maar mijn studiegenoot Ab Harrewijn was er een mooi voorbeeld van.

 

Rijkdom

Dat de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema als GroenLinks-leidster de koers van haar partij als ‘vrijzinnig’ heeft genoemd, vergroot de verwarring. Het begrip vrijzinnig in het christendom staat haaks op genoemde neo-orthodoxie. Orthodoxie betekent letterlijk: juiste lofprijzing en wordt allereerst gebruikt om de Oosterse kerken aan te duiden. Verschil met protestantse kerken is dat die Oosterse kerken evenals de Rooms-katholieke kerk een hiërarchie van ambten hebben en een ononderbroken traditie van religieuze gezagsdragers die teruggaat tot de apostelen. Meer algemeen en als tweede betekenis staat ‘orthodox’ voor een geloofshouding die in de traditie, en meer nog in de heilige Schrift, een onuitputtelijke rijkdom ontwaart.

Al lijkt het dat orthodoxen (of ze nu protestant of katholiek zijn, christen of jood, of moslim) rigoureus vasthouden aan één enkele uitleg, dat is slechts schijn. Kerkvaders, Koranuitleggers en rabbijnen scheppen er plezier in zoveel mogelijk verschillende perspectieven te ontwikkelen. Kernkwesties zoals welke zoon Abraham / Ibrahim diende te offeren, beslaan tientallen bladzijden, waarbij zowel Ismaël als Izaak als kandidaat wordt genoemd. Koranuitlegger al-Tabari uit de negende eeuw voorziet dit met een eindeloze reeks argumenten. En over een religieus debat tussen twee rabbijnen staat in de Talmoed: ‘Beide spreken woorden van de levende God’.

Het verschil met fundamentalisme wordt hiermee duidelijk: dit pluralisme is de fundamentalist een gruwel. Een orthodox gelovige interpreteert de goddelijke waarheid in het permanente besef dat die hem uiteindelijk overstijgt. Denk aan het mooie: ‘Allah weet het beter’, waarmee alle menselijke kennis heilzaam wordt gerelativeerd. Een fundamentalist interpreteert niet, maar identificeert de heilige tekst met zijn eigen mening, waarover geen discussie meer mogelijk is.

Terwijl een vrijzinnige gelovige de heilige tekst niet graag heilig en onveranderlijk noemt, is dat voor de orthodoxe gelovige juist voorwaarde om zo pluralisme in de interpretatie te kunnen ontwikkelen.

Er is nog een belangrijke kwestie: een orthodox gelovige zal ervan overtuigd zijn dat een moderne rechtsstaat en orthodox geloof goed samen kunnen gaan. Mocht er echter onverhoopt een conflict zijn dat gaat het woord van God vóór.

Ook hier denkt men te snel aan fundamentalisme, zoals Ayaan Hirsi Ali ooit suggereerde dat een islamitische basisschool bevolkt werd door extremisten, alleen omdat een meisje op deze school haar vertelde dat het woord van Allah boven de wetten van Nederland gaat. Maar de apostel Petrus zei al dat men het woord van God meer moet gehoorzamen dan dat van mensen.

 

Trump als trompet

De fundamentalist staat hier ver van af: die zal immers elke staatsvorm die niet strikt islamitisch is als afgoderij van de hand wijzen, ook die van moslims. De grootste vijand van elke fundamentalist zijn niet de ‘heidenen’, maar de medegelovigen die niet streng genoeg in de leer zijn. Zo nam moslimbroeder Abd-al-Salam Faraj (1954-1982) het zijn medemoslims kwalijk dat zij geen strikt islamitische staat wilden en president Sadat van Egypte tolereerden. Het geschrift van Faraj, The neglected duty, is recent in Engeland herdrukt als The absent obligation, met op de voorplaat een islamistisch extremist met mitrailleur. Overigens is Faraj geen theoloog, maar een elektrotechnicus. Het aantal technische en exacte wetenschappers onder fundamentalisten is van oudsher opvallend. De opkomst van christenfundamentalisme eind negentiende eeuw in de Verenigde Staten is zonder invloed van de exacte wetenschappen niet goed te begrijpen.

De moslimfundamentalist houdt zich verre van de traditioneel-islamitische geleerdheid, zoals die van de al-Azhar Universiteit in Caïro. Zijn domein is veelal het internet, waar korte soundbites de ellenlange traktaten overbodig moeten maken. Overigens bestaat er ook een omvangrijk christen-fundamentalisme dat zich ook van internet bedient en verrassend overeenkomstige apocalyptische beelden van de Eindtijd en de antichrist de wereld in slingert. Steevast zijn dan Vaticaan en islam de satanische krachten, liefst in onderlinge samenzwering, terwijl Israël, met name de Tempelberg, het brandpunt van de wederkomst van Christus is, en recentelijk Trump voor de trompet van de Eindtijd doorgaat.

 

Bontmutsen

Tot slot nog even het salafisme. Elke religie heeft een nostalgie naar een ideale tijd, waarin de gelovigen ‘alles gemeenschappelijk hadden’ of in de woestijn leefden ‘met alleen het manna als de volle smaak van moedermelk’. Dat geldt ook voor de islam: de metgezellen van Mohammed vormen de ideale moslims. Een salafist kleedt zich zelfs zoals hij meent dat die metgezellen eruit zagen. Zoals je ook Poolse bontmutsen kunt zien in de ultraorthodoxe joodse wijk Mea Sjearim in Jeruzalem, waar het soms veertig graden boven nul is. Zowel de salafist, deze ultra-orthodoxe joden en ook de Amish of zwaar bevindelijke protestanten in Zeeland en Staphorst kennen een a-politieke, naar binnen gekeerde mystieke houding. Die bekommert zich meer om de eeuwigheid dan om het actuele strijdtoneel en de moderne wereld.

Daarnaast is er een tweede salafistische groepering die zich juist wel politiek opstelt. Het kolonialisme vormt hierbij de voedingsbodem voor een tendens tot reformisme en idealisering van de begintijd van de islam. Tot slot is er een derde groepering die al even activistisch is, maar ook geweld daarbij legitiem vindt. De jihad wordt sterk opgerekt en onderbouwd door volkomen uit zijn verband gerukte citaten uit Koran en de dertiende-eeuwse Ibn Taymiyya die juist een hervormer was. Deze laatste groepering van salafisten ziet continu het gevaar van ketterij (takfir) en verwerpt niet alleen joden en christenen (voor wie de Koran wel degelijk waarderende woorden heeft), maar ook allerhande volksgeloof van moslims zelf, alweer met Ibn Taymiyya in de hand.

Als Aboutaleb over salafisme spreekt voelt hij sympathie voor de eerste groep, ongeveer zoals iemand een kloosterling roemt vanwege de zuivere christelijke levenshouding. Aboutaleb zal zichzelf misschien wat meer situeren in de tweede groep. Het woord van Allah gaat voor hem boven alles, maar is heel goed te combineren met een rol in het openbaar bestuur. Zijn sterke identificatie als geslaagde moslimimmigrant met de Nederlandse samenleving maakt dat hij mijlenver af staat van de derde groep.

 

Fixaties

Als we in Nederland extremisme en fundamentalisme willen bestrijden, hebben we de orthodoxe moslims daarbij juist nodig. Die zien immers het snelste waar zaken ontsporen. Maar als de Nederlandse samenleving door religieuze bijziendheid de orthodoxe moslim wantrouwt vanwege vermeende ondemocratische neigingen – denk aan de fixaties van genoemde Leidse rechtsgeleerden – dan kan men die medewerking natuurlijk wel vergeten. De marginalisering en diskwalificatie van orthodoxe gelovigen door seculier en progressief Nederland, door Cliteur en Ellian, maar ook door Femke Halsema en de beweging Vrij Links, is daarmee geen onschuldige zaak.

 

Dit artikel is een bewerking van het verhaal dat professor Marcel Poorthuis, hoogleraar interreligieuze dialoog aan de Tilburg School of Theology (Universiteit van Tilburg), schreef voor De Linker Wang.

 

Afbeelding: Wikipedia / Wikimedia Commons