“Onbeperkte tolerantie leidt tot het verdwijnen van tolerantie. Als we tolerant zijn zelfs tegenover degenen die intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van de intoleranten, dan zullen de toleranten worden vernietigd, en de tolerantie met hen.”

Zo formuleerde Karl Popper de paradox van tolerantie in The Open Society and Its Enemies (1945). Popper koos die titel zorgvuldig, en verwierp een eerdere versie met “Opponents”, omdat dat woord niet voldoende de ernst van de situatie weergaf. De vijanden, dat waren de filosofen Plato, Hegel en Marx in zijn boek – bedenkers van systemen die onherroepelijk naar het totalitaire neigden. Maar het is niet moeilijk te zien hoe deze paradox ook van toepassing was op de staatsvormen die zijn tijdgenoten Hitler en Stalin hadden gecreëerd.

“We should claim the right to suppress them if necessary even by force;” vervolgt Popper, “for it may easily turn out that they are not prepared to meet us on the level of rational argument, but begin by denouncing all argument.” Dat is inderdaad herkenbaar – we zien de laatste tijd nogal regelmatig voorstanders van de politieke islam die onze democratie en rechtsorde integraal afwijzen. Daar valt inderdaad niet mee te praten. “We moeten dus het recht claimen,” aldus Popper, “in de naam van tolerantie, om de intoleranten niet te tolereren.”

Interessant genoeg is het min of meer hetzelfde, pragmatische argument dat George van den Bergh al gebruikte in zijn oratie uit 1936, “Wat te doen met Antidemocratische partijen?”, onlangs opnieuw verschenen in een uitgave bezorgd door rechtsfilosoof Bastiaan Rijpkema. Hét essentiële kenmerk van democratie, volgens zowel Van den Bergh als Popper, is het zelf-corrigerende vermogen – je kunt regeringen makkelijk en zonder geweld weer vervangen door andere. Alles wat dat vermogen wil wegnemen, zouden we niet moeten toelaten. Dus zelfs als een meerderheid voor een sharia-partij zou stemmen, kunnen we niet toestaan dat die dan een theocratie installeert, omdat dit een niet meer terug te draaien stap is.

Nu zijn antidemocratische partijen relatief makkelijk te herkennen aan hun programma, maar hoe herken je andere ‘vijanden’ van de open samenleving? Wanneer worden ze een probleem? En hoe voorkom je dat je zelf het probleem wordt, door intolerantie onnodig hard te onderdrukken?

De samenleving kan kleine clubjes intolerante extremisten tenslotte prima aan. Kijk maar naar de zwartekousenkerken op de Veluwe. Zolang leden van deze clubjes uit eigen vrije beweging voor deze vorm van intolerantie kiezen, en zolang ze weten en accepteren dat ze hun denkbeelden en leefwijzen niet aan de rest van de samenleving kunnen opdringen, is er weinig aan de hand. Hun vrijheid schaadt de onze niet. Nou ja, op het niet-inenten van kinderen na, dan.

De extremisten zelf zijn dus niet het probleem. Het probleem ligt bij de hypertoleranten, degenen die verzuimen om grenzen te trekken daar waar een streep in het zand heel hard nodig is. En dan zien we dat er iets raars aan de hand is in Nederland. Er speelt hier niet alleen maar de loffelijke liberale neiging om mensen in hun waarde (en dus met rust) te laten. Als het gaat om immigranten, en de islam in het bijzonder, lijkt met name zich ‘links’ noemend Nederland ineens niet meer in staat intolerantie, misstanden of totalitaire neigingen te herkennen.

Nu is er wel vaker opgemerkt dat de beroemde Nederlandse tolerantie eigenlijk niet meer is dan onverschilligheid: wegkijken, en maar hopen dat het probleem vanzelf weer verdwijnt. Maar daar komt dus nog een raar soort omgekeerde kleurenblindheid bij: het onvermogen of de onwil om voorbij het kleurtje van de ‘Ander’ te kijken en onderscheid te maken. Onderscheid, bijvoorbeeld, tussen de seculiere schrijver uit Iran die gevlucht is voor terreur en de tweede-generatie Marokkaan die z’n analfabete importbruid op drie hoog achter heeft opgesloten. Onderscheid tussen vlotte jonge meiden die gewoon een leuke baan willen en aggressieve tieners die ‘hoer’ roepen naar diezelfde meiden.

Als je kritische vermogens ermee ophouden zodra de factor ‘lichtgetint’ meespeelt, dan wordt dus het soort vrouwenonderdrukking dat we zelfs niet zouden accepteren van grefo’s niet meer herkend als vrouwenhaat en weggezet als ‘cultuur’. En dan worden tokkies niet meer herkend als tokkies, al spugen ze in je gezicht, want ‘moslim’ en dus slachtoffer van ‘ongelijkheid’ en ‘discriminatie’. Maar soms is een tokkie gewoon een tokkie.

Het is een au fond racistisch onvermogen om voorbij kleur of geloof te kijken en individueel onderscheid te maken. We zien hier eigenlijk de arrogantie van een superioriteitsgevoel dat zichzelf niet eens als zodanig herkent. Vooral niets zeggen van de achterlijkheid en intolerantie van de ander, want ze weten niet beter en je wilt tenslotte niet “naar beneden trappen”. Die ander, dat spreekt voor zich, staat altijd net een treetje lager.

Links Nederland ziet niet de individuen, maar één monolithische zuil. Wie kritiek heeft op een onderdeel daarvan, zet volgens hen álle moslims weg en dat moeten we niet willen met z’n allen. Hoe anders is te te verklaren dat partijen als de PvdA steeds maar weer tegemoet treden aan de meest intolerante, reactionaire en onverdraagzame elementen uit de moslimgemeenschap, aan de laagste gemene deler, een minderheid?

Want een minderheid is het. Afgelopen zaterdag publiceerde de Volkskrant een gesprek met socioloog en hoogleraar immigrantenkwesties Ruud Koopmans, vergezeld van nogal wat schokkende cijfers. Van de Nederlandse moslims is 45% fundamentalist, 70% daarvan kan intolerant worden genoemd en nog eens 70% vindt religieuze wetten belangrijker dan ons rechtsstelsel. Dat is een grote groep, die dus het Sympathisantenumfeld van de echte radicalen vormt. Radicalen die “het in bepaalde situaties acceptabel vinden om de islam met geweld te verdedigen”, dat zijn er zo’n 11%. En nee, het heeft niets met achterstand te maken, zegt Koopmans, maar met religie, en de oplossing ligt in hervorming.

Waarom dus in godsnaam steeds maar weer tegemoet komen aan die intolerante minderheid (middels subsidies voor orthoxode moslimorganisties, zelfcensuur of bijvoorbeeld een muur om segregatie te waarborgen), en dan net doen alsof dit de hele islamitische ‘zuil’ ten goede komt? De bottom line is namelijk: een meerderheid binnen de moslimgemeenschap, een nipte meerderheid weliswaar maar toch, is niet fundamentalistisch. Een meerderheid wil deze intolerantie niet.

Dat is trouwens ook de reden dat het niet helemaal nodig is om door te slaan naar het andere uiterste en bijvoorbeeld de koran te willen verbieden. De koran bevat weliswaar passages die oproepen op tot moord en haat en discriminatie (net als de meeste andere ‘heilige’ geschriften, gek genoeg), maar een meerderheid geeft daar geen gevolg aan. Verbieden is onnodig en in dit geval weegt de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting vele malen zwaarder dan een mogelijke bedreiging voor de open samenleving.

Er blijven namelijk nog genoeg bedreigingen over. Zelfs als we een zo bescheiden mogelijke invulling geven aan niet-te-tolereren intolerantie, namelijk intolerantie die de vrijheid van anderen inperkt of ze schade toebrengt (vrij naar het harm principle van John Stuart Mill, en de law of equal liberty van Herbert Spencer: “each has freedom to do all that he wills provided that he infringes not the equal freedom of any other”), dan nog blijken er elke week wel incidenten te zijn. De meest kwalijke daarvan zijn ook nog eens wetsovertredingen die om duistere redenen door de vingers worden gezien. Mensen die “Dood aan de joden” roepen zijn op zich niet eens zo’n probleem, zolang je maar onmiddellijk tot vervolging overgaat en ze direct laat voelen waar hier de grenzen liggen. Lik op stuk, zoiets. Het zijn dus, alwéér, de gedogers die de open samenleving beschadigen.

Of neem de vrouw die bij de politie kwam met een dramatisch verhaal over vrijheidsberoving en mishandeling. Wat voor redenen zijn er dan in godsnaam te bedenken om niet te vervolgen en haar juist terug te sturen naar de daders, haar aangetrouwde familie? Zoals Elma Drayer schreef in de Volkskrant, “als het gaat om vrouwen uit exotische culturen dan gelden er blijkbaar héél andere normen.” Nu is Yasmeen spoorloos. Dit is het gedogen van criminele intolerantie met mogelijk dodelijke gevolgen.

Een gevalletje hellend vlak is de Goudse Muur – of was het toch een heg? Aparte mannen- en vrouweningangen voor de moskee, soit, dat hebben veel moskeeën in Nederland, en je mag hopen dat leden van de gemeenschap daar uit eigen vrije wil voor hebben gekozen. Maar wat dit bijzonder maakte, is dat de mannen ook gevrijwaard wensten te blijven van vrouwelijke medeburgers in de buitenwereld. De moskeemannen probeerden dus de rest van de samenleving hun intolerante denkbeelden op te dringen én verantwoordelijk te maken voor hun eigen gevoel van afleiding. Dat was geen issue geweest als het stadsbestuur ze keihard had uitgelachen en had gezegd, joh, dan kweek je maar wat meer geestelijke discipline. Maar het stadsbestuur kwam geheel uit eigen beweging met het lumineuze idee van De Muur. Wéér zijn het niet de extremisten zelf die de open samenleving uithollen, maar de hypertoleranten die ze op alle mogelijke manieren volstrekt onnodig tegemoet komen.

En zo brokkelt de open samenleving stukje bij beetje verder af, totdat we ineens de Goudse Muur hebben als ultiem symbool van de Nederlandse schijntolerantie.