De vorige week afgesloten referendumcampagne liet opnieuw zien dat de verhouding tussen hoger en lager opgeleiden in ons land in toenemende mate gepolariseerd zijn geraakt. Het is van belang dat we dit erkennen, en dat we gezamenlijk op zoek gaan naar manieren om deze nieuwe kloof te dichten.

De klassenstrijd is dood, leve de nieuwe klassenstrijd. Zo kunnen we het referendum van vorige week samenvatten. Er lijkt zich een nieuwe tweedeling af te tekenen, ditmaal niet gebaseerd op bezit maar op opleiding. Een neutrale waarnemer zou niet snel verwachten dat het electoraat zo duidelijk gespleten zou worden over zoiets obscuurs als een Europees samenwerkingsverdrag met Oekraine. Toch tekende zich al snel een duidelijke tweedeling af. Hoger opgeleiden waren in ruime mate voor het verdrag, lager opgeleiden in al even ruime mate tegen.

Wat daarbij ook opviel, was de passie waarmee lager opgeleiden hun afkeur beleden. Veel van hen hadden al in een heel vroeg stadium besloten dat ze tegen waren en dat ze ook zeker gingen stemmen. Nog voordat de informatievoorziening over het verdrag op gang was gekomen, hadden ze hun oordeel al klaar. Het referendum ging voor deze groep dus duidelijk niet waarover het ging. Maar waar ging het dan wel over?

Gehoord willen worden

Onder commentatoren heerste de misvatting dat het referendum vooral over de EU zou gaan. Was het maar waar, zou ik als verliezende Ja-campagnevoorzitter willen opmerken. Een voor/tegen de EU campagne is in ons land namelijk redelijk eenvoudig te winnen – 60-30 volgens I&O Research, dat de referendumrace peilde voor de Volkskrant. Het was ook geen referendum over dit kabinet. Niet alleen leefde dat thema niet onder kiezers, het werd ook nooit genoemd tijdens de campagne. Nee, in feite ging het om iets heel anders. Uit onderzoek uitgevoerd door de Voor campagne bleek dat van de top vier redenen om tegen te stemmen maar liefst drie niets met de inhoud van het verdrag te maken te hadden. De drie niet-inhoudelijke redenen konden worden samengevat als ‘Eindelijk inspraak!’ Het recht om mee te praten, gehoord te worden en vooral: serieus genomen te worden.

Opmerkelijk genoeg scoorden deze direct op het referendum betrekking hebbende zaken veel minder goed onder hoger opgeleiden. Het kan natuurlijk zijn dat hoger opgeleiden eerder geneigd zijn de vraag inhoudelijk te beantwoorden (of misschien ook: eerder geneigd zijn te denken dat je de vraag zo hoort te beantwoorden). Maar het totaal ontbreken van principieel-democratische argumenten viel wel op, zeker wanneer we het vergelijken met de grote nadruk op dat type argument onder lager opgeleiden.

Nog zorgwekkender was dat argumenten tegen referenda – of in ieder geval tegen dit referendum – wel leken aan te slaan onder hoger opgeleiden. Daarmee overigens een duidelijke trend in wetenschappelijk onderzoek over opvattingen re referenda bevestigdend. Zowel in het Nationaal Kiezersonderzoek 2012 als in een recente publicatie van het Sociaal Cultureel Planbureau werd vastgesteld dat lager opgeleiden nu enthousiaster zijn over referenda dan hoger opgeleiden. Het aantal voorstanders onder hoger opgeleiden is daarbij al geruime tijd dalende.

Referendum over referendum

Campagnes gaan normaal gesproken over voor of tegen. In de referendumcampagne kwam daar opmerkelijk genoeg een derde kamp bij: het niet-kamp. Hoger opgeleiden waren overduidelijk voor het verdrag. Ze waren echter hopeloos verdeeld over de vraag of ze wel moesten gaan stemmen. Volgens onderzoeksbureau Ipsos, dat de overwegingen van niet-stemmers onderzocht, zouden ruim 1,3 miljoen kiezers (16% van 68% van het totale electoraat) vorige week hebben besloten niet te gaan stemmen in de hoop zo de opkomst onder de 30 procent te houden. Een nog grotere groep (23% van de niet-stemmers) verklaarde niet te zijn gaan stemmen omdat men ‘tegen dit referendum’ was – 2 miljoen principiële niet-stemmers, bijna net zoveel als het totaal aantal tegenstemmers! Voor veel hoger opgeleiden was dit dus vooral een referendum over een referendum. Men stemde daarbij met zijn voeten, door het stemhokje te mijden.

Klassenstrijd

Zo groeide het referendum uit tot een soort klassenstrijdtoneel: lager opgeleiden trokken naar de stembus, hoger opgeleiden meden diezelfde stembus. Als het bij alleen stemgedrag bleef, zou dat tot daar aan toe zijn. We zouden de niet-stemmers dan een paar referenda de tijd moeten geven om zich aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid, ze daarbij wellicht een handje helpend door de opkomstdrempel af te schaffen (die zet immers aan tot strategisch niet-stemmen). In de afgelopen maanden is echter duidelijk geworden dat deze politieke tegenstelling berust op een nog diepere culturele tegenstelling. In het ene kamp zitten lager opgeleiden die in toenemende mate het gevoel hebben dat ze er niet meer bij horen, dat hun opinies niet tellen en hun wensen en angsten geen basis mogen vormen van beleid. In het andere hoger opgeleiden die menen dat een hogere opleiding een noodzakelijke voorwaarde vormt voor actief burgerschap. ‘Diplomademocratie’ is voor heen geen scheldwoord maar een utopie.

De twee kampen leven in toenemende mate gescheiden van elkaar. Die scheiding is niet alleen een kwestie van geografie: de hoger opgeleiden wonen in en om de universiteitssteden, de lager opgeleiden in de provincie. De scheiding loopt ook dwars door dorpen en steden heen: de kinderen van hoger opgeleiden volgen veel vaker zelf ook hoger onderwijs dan kinderen van lager opgeleiden; ze zitten vaak niet eens meer met kinderen van lager opgeleiden op school; vrienden maken over de klassengrens heen is al een uitdaging, een partner uit een andere opleidingsklasse is inmiddels vrijwel ondenkbaar. In veel opzichten doet dit totaal gebrek aan omgang tussen hoger en lager opgeleiden, waarvan de opkomstpatronen in en houding ten opzichte van dit referendum een uiting vormden, denken aan Benjamin Disraeli’s concept van de tegenstelling tussen arm en rijk in het negentiende-eeuwse Engeland: “Two nations between whom there is no intercourse and no sympathy; who are as ignorant of each other’s habits, thoughts, and feelings, as if they were dwellers in different zones, or inhabitants of different planets.”

Nationaal program

Voor Disraeli’s tijdgenoten was het vaststellen van deze ogenschijnlijk onoverbrugbare tegenstelling de aanleiding voor het lanceren van een groot nationaal program gericht op emancipatie van de achtergestelden. Onze uitdaging is niet dezelfde als die van hen. Toch zouden wij er ook goed aan doen om te erkennen dat deze kloof gevaarlijk is voor de gezondheid van onze publieke zaak, en dat we zullen moeten zoeken naar middelen om hem te dichten. Misschien gaat het te ver om hierbij van een nationaal program te spreken, maar een ding is wel duidelijk: zoals het nu gaat, gaat het niet goed. Er zal dus iets moeten gebeuren.