Discrimineren is verboden, dat weet iedereen. Behalve als het om lageropgeleiden gaat. Dan is elke grap toegestaan, elke blijk van minachting meteen ook een uiting van eigen verhevenheid.

‘Zeventig procent van de Nederlanders is achterlijk’, liet een ogenschijnlijk beschaafde man zich laatst op een borrel tegenover mij ontvallen. ‘PVV’ers moet het stemrecht worden ontnomen’ heb ik ook al eens gehoord. In de vluchtelingencrisis werd er gesproken over de ‘volgevreten Nederlander’ die het liefst vluchtelingen zou zien verdrinken. Het ging over ‘randdebielen’ uit Steenbergen. Minister president Rutte had het over ‘overspannen tokkies’ in Geldermalsen. Terwijl in hoogopgeleid gezelschap elke belediging of generalisering van etnische minderheden tot opgetrokken wenkbrauwen zou leiden, ‘niggerbitch’ tot het aftreden van een hoofdredactrice heeft geleid, zijn termen als ‘witte paupers’ en ‘tokkies’ in het publieke debat volkomen ingeburgerd. Wat maakt haatpraat jegens de blanke onderklasse geaccepteerd?

Laagopgeleiden

Ik herinner mij nog goed een discussie tijdens het eerste jaar van mijn studie politicologie. De stelling: laagopgeleiden zouden een groter deel moeten uitmaken van de Tweede Kamer. In de afgelopen parlementen hebben maar enkele volksvertegenwoordigers geen universiteit of HBO genoten, een groot verschil met zestig jaar geleden. Nederland is verworden tot een diplomademocratie. Van een discussie hierover was echter geen sprake; mijn medestudenten waren unaniem in hun oordeel dat ongediplomeerden in de Kamer een buitengewoon slecht idee zou zijn. Laagopgeleiden, zo beweerden zij, zouden niet over de vaardigheden beschikken om te kunnen deelnemen aan parlementaire debatten. Anderen zouden bovendien heel goed – lees: beter dan zijzelf – hun belangen kunnen behartigen. Voor vrouwen en allochtonen zou uiteraard niemand het wagen de redenering te gebruiken dat mannen en blanken dat ook prima namens hen zouden kunnen. Maar, zo opperde een student, ‘We willen toch niet van die tokkies in de Tweede Kamer?’

Het lijkt mij verre van ondenkbaar dat iemand met een Mavodiploma, die twintig jaar bij de politie heeft gezeten in de Bijlmer, en die zich omhoog heeft gewerkt tot inspecteur, een goed inzicht heeft in bepaalde maatschappelijke problemen. Misschien zelfs nog wel beter dan iemand die rechten of geschiedenis heeft gestudeerd en na een paar jaar werkervaring binnen het bedrijfsleven de politiek in is gerold. Eerdere parlementen functioneerden prima met laaggeschoolden in de kamer. Visies van mensen met een andere sociale achtergrond kunnen, ook als ze wellicht minder eloquent verwoord zijn, eveneens een waardevolle bijdrage leveren. Het beeld van de laagopgeleide als luie, volgevreten uitkeringstrekker met een lage moraal die al shag rokend voor de tv zijn xenofobie de vrij loop laat, heeft geen plek in het publieke debat. Het is een grove stereotypering van 30 procent van de Nederlandse bevolking die door de nieuwe meritocratische bovenklasse niet lijkt te worden geschuwd.

Het beeld van de laagopgeleide als luie, volgevreten uitkeringstrekker met een lage moraal die al shag rokend voor de tv zijn xenofobie de vrij loop laat, heeft geen plek in het publieke debat.

Nieuwe klassenmaatschappij

Onderzoekers waarschuwen al jaren voor het ontstaan van een ‘nieuwe klassenmaatschappij’ met opleiding als maatschappelijke breuklijn. De kloof tussen de politiek en de burger, blijkt uit onderzoek, is voornamelijk een kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. De vooroordelen in hoogopgeleide kringen komen volgens de Vlaamse cultuurhistoricus David van Reybrouck uit deze nieuwe breuklijn voort. In zijn Pleidooi voor populisme beschrijft hij hoe hoog- en laagopgeleiden vandaag de dag werkelijk in andere werelden leven. Ze lezen andere kranten en bladen, luisteren andere muziek en gaan op andere vakanties. Na de basisschool leeft men bijna volledig gescheiden van ‘de ander’. Dit vormt een diepere kloof dan tussen etniciteit of zelfs religies. Waren tijdens de verzuiling alle standen nog binnen de zuil met elkaar in verbinding, tegenwoordig wordt de ander niet of nauwelijks meer gekend. Ook de tijd waarin het huwelijk dit verschil kon overbruggen, en een dokter nog met zijn assistente trouwde, lijkt voorbij. Vandaag de dag heeft slechts 10 procent van de hoogopgeleide mannen een relatie met een laagopgeleide vrouw; het percentage hoogopgeleide vrouwen met een laagopgeleide man is met 8 procent nog lager. De voorkeur voor een partner van hetzelfde (opleidings)niveau is terug is te zien in datingssites die zich enkel richten op hogeropgeleiden.

Over grote onderwerpen zoals immigratie en de Europese Unie verschillen de opvattingen van de twee groepen totaal. Laagopgeleiden voelen zich over het algemeen niet gehoord en niet serieus genomen. Slechts 27 procent van de laagopgeleiden heeft ‘voldoende vertrouwen in de Tweede Kamer’, tegenover 76 procent van de hoogopgeleiden. Met de stelling ‘De overheid doet onvoldoende voor ons’ is 57 procent van de laagopgeleiden het eens, tegenover 18 procent van de hoogopgeleiden. Slechts een kwart van de laagopgeleiden vindt EU-lidmaatschap een goede zaak, in tegenstelling tot driekwart van de hogeropgeleiden. In hetzelfde onderzoek komt naar voren dat meer dan de helft van de laagopgeleiden vindt dat het politici ontbreekt aan inlevingsvermogen in hun leefwereld. Het gaat hier overigens om een kwetsbare minderheidsgroep. Zo leven laagopgeleiden beduidend korter dan hoogopgeleiden en hebben zij meer kans op chronische ziektes en gezondheidsproblemen. Ze hebben bovendien een lagere kans op een goede behandeling bij sommige ernstige ziektes.

Laagopgeleiden voelen zich over het algemeen niet gehoord en niet serieus genomen. Slechts 27 procent van de laagopgeleiden heeft ‘voldoende vertrouwen in de Tweede Kamer’, tegenover 76 procent van de hoogopgeleiden. Met de stelling ‘De overheid doet onvoldoende voor ons’ is 57 procent van de laagopgeleiden het eens, tegenover 18 procent van de hoogopgeleiden.

Karikaturen

Door deze gescheiden werelden komt men niet meer met elkaar in contact, en wordt een beeld van de ander gecreëerd aan de hand van karikaturen en stereotypen zoals we zien in Oh Oh Cherso, Take me out, en de Tokkies. In zulke programma’s wordt hartelijk gelachen om de maatschappelijke achtergesteldheid van de onderklasse. De veelal laagopgeleide deelnemers krijgen een grijpstuiver betaald voor hun optreden, waarin hen uitspraken worden ontlokt met als gevolg dat echt opklimmen op de maatschappelijke ladder voor hen voorgoed uitgesloten is. De aan het begin van dit essay geciteerde uitspraken van hogeropgeleiden komen zonder twijfel mede voort uit een demonisering van de onderklasse in zulke tv-programma’s. Zonder gêne wordt er een beeld gecreëerd van de laagopgeleide als schreeuwende asociaal, een ongeleid projectiel dat niet tot enigszins kritisch denkvermogen in staat zou zijn. Nogmaals: omroepen zouden vandaag de dag met dergelijke stigmatisering van andere bevolkingsgroep nooit wegkomen.

Dat deze shows niet enkel als onschuldig vermaak dienen te worden gezien, beschrijft Owen Jones in zijn boek Chavs: The demonization of the working class waarin hij klassenhaat ‘het laatst geaccepteerde vooroordeel’ noemt. Hij beschrijft een karakter in de in Groot-Brittanie populaire satirische show Little Britain, een belichaming van de Britse onderklasse genaamd Vicky Pollard. Blank, blond, dik, dom, onbeschaafd, altijd gekleed in een roze trainingspak en met 12 kinderen van verschillende mannen (waarvan ze er één heeft geruild voor een Westlife CD) is een geliefd personage in de show. Deze karikatuur wordt echter een stuk minder onschuldig wanneer uit een enquête blijkt dat de meeste mensen die in de televisiewereld werken (voornamelijk hoogopgeleiden) denken dat Vicky Pollard een nauwkeurig beeld geeft van de Britse blanke arbeidersklasse. De onderklasse neerzetten als ‘onverdraagzaam, lomp en vies maakt het steeds moeilijker om empathie voor hen te voelen. De mensen aan de onderkant zijn effectief gedehumaniseerd. En wie wil nog de levensomstandigheden verbeteren van mensen die ze haten?’, aldus Jones.

Fortuyn versus Wilders

Wanneer er wordt geschreven over de ‘volgevreten Nederlander’ (terzijde: obesitas is tegenwoordig een armoedeziekte) die er plezier aan zou beleven om vluchtelingen te zien verdrinken, is er sprake van een grove stereotypering en demoralisering van een groep mensen waarvan men de denkbeelden feitelijk helemaal niet zo goed kent. Laagopgeleiden zijn inderdaad geneigd eerder op populistische partijen zoals de SP en de PVV te stemmen. Uit onderzoek van Maurice de Hond van enkele jaren geleden blijkt echter dat het enthousiasme over Wilders als persoon onder deze kiezers eigenlijk vrij beperkt is. Maar liefst 73 procent van de PVV-stemmers gaf in dit onderzoek aan liever de optie te hebben gehad om op Fortuyn te stemmen. Fortuyn: de intellectueel die de integratieproblematiek beargumenteerd wist aan te kaarten maar zich geenszins enkel tot dit onderwerp beperkte. Het is niet onwaarschijnlijk dat PVV-stemmers zich ergeren aan de wispelturigheid en grofheid van Wilders, en dat ze hem zeker niet als ideale vertegenwoordiger van hun opvattingen beschouwen. Wilders is echter wel een van de weinigen die enige vorm van empathie opbrengt voor wat zich in deze bevolkingsgroep afspeelt. Er zijn voor hen simpelweg weinig alternatieven.

Uit onderzoek van Maurice de Hond van enkele jaren geleden blijkt echter dat het enthousiasme over Wilders als persoon onder deze kiezers eigenlijk vrij beperkt is. Maar liefst 73 procent van de PVV-stemmers gaf in dit onderzoek aan liever de optie te hebben gehad om op Fortuyn te stemmen.

Ironisch genoeg zijn het vaak dezelfde mensen die moord en brand schreeuwen bij enige vorm van generalisering van allochtonen en vluchtelingen die geen enkele moeite lijken te hebben om generaliserende uitspraken te doen over de ‘xenofobe kleinburger’. Progressieven haasten zich om de achtergestelde situatie van de uitgereisde Jihadist te benoemen. De radicalisering van moslimjongeren, die hun HBO-studie onderbreken om in Syrië afvalligen de keel door te snijden, moeten wij toch voornamelijk in maatschappij-breed perspectief zien. Zo lazen we in Trouw dat ‘Ons land bar weinig gedaan [heeft] om moslims (eerste en volgende generaties) te beschermen en hen te laten voelen dat zij een nieuw, gewenst deel uitmaken van de samenleving.’

Dubbele standaard

Job Cohen beweerde dat moslimjongeren radicaliseren omdat ze ‘zich onvoldoende gewaardeerd voelen of mogelijkheden hebben in ons land’. ‘Ik denk dat we ons wel moeten realiseren dat de manier waarop wij soms in Nederland zeer extreem tegen de islam ageren, voor mensen die toch al wankel zijn, aanleiding is om eerder te gaan richting een radicaliserende opvatting dan zich te matigen’, zo sprak een voormalig hoofd van de AIVD. ‘Deze mensen zijn de laatste twaalf, dertien jaar weggezet. In de hoek gedrukt. Dus het is vrij logisch als daar een keer een gewelddadige reactie op komt.’ hoorden we bij Pauw.

Typisch dat dezelfde commentatoren bij de ‘schreeuwende tokkies’ in Geldermalsen en Steenbergen niet zo happig zijn om de hand in eigen boezem te steken. Daar lijkt men de ‘voedingsbodem’ niet bij zichzelf te zoeken. Ten aanzien van hun woede en steeds gewelddadigere gedrag wordt er niet gesproken over de marginalisering van een grote groep mensen die zich al jarenlang genegeerd voelt. Dat hun frustratie wellicht een product is van de manier waarop zij en hun representatie al jaren worden geportretteerd in de media: weggelachen, geridiculiseerd, genegeerd, gedemoniseerd, bedreigd en zelfs doodgeschoten. Voor de ontwikkeling van de woede van de ‘witte pauper’ is het begrip ver te zoeken. Of zoals van Reybrouck het mooi verwoordt: ‘De veelbezongen tolerantie van de culturele bovenlaag geldt kennelijk niet voor iedereen.’

Eigen schuld

Deze houding komt wellicht voort uit de opvatting dat de ‘tokkie’ zijn achtergestelde situatie volledig aan zichzelf te wijten heeft. Hij heeft toch alle kans gehad er iets beters van te maken? Terwijl vroeger mensen gebonden waren aan hun sociale klasse vanaf hun geboorte, leven wij nu in een meritocratische samenleving waarin iedereen alles kan bereiken – zolang je maar de juiste instelling hebt. Maar in hoeverre is dit echt zo? Gebrekkige integratie is niet alleen voorbehouden aan allochtonen; slechte taalbeheersing en weinig tot geen cultureel kapitaal – beide van groot belang om succesvol te kunnen zijn binnen het Nederlandse schoolsysteem – komen ook voor in de witte onderklasse. De demonisering leidt ertoe dat er geen empathie meer is voor hun achtergestelde situatie. De ‘dommen’ hebben hun plek in de maatschappij verdiend.

Het is een buitengewoon asociale houding, die dus bij nader inzien niet enkel in de onderklasse te vinden is. Zogenaamde onderbuikgevoelens zijn ook niet enkel aan hen voorbehouden. Een salonsocialist die zijn neus ophaalt voor minder hoog opgeleiden en die demoniserende termen voor het gewone volk gebruikt, maakt zich net zo goed schuldig aan discriminatie. Een ‘white trash’ verkleedfeest doet qua karikatuur niet onder voor Zwarte Piet.

Een salonsocialist die zijn neus ophaalt voor minder hoog opgeleiden en die demoniserende termen voor het gewone volk gebruikt, maakt zich net zo goed schuldig aan discriminatie. Een ‘white trash’ verkleedfeest doet qua karikatuur niet onder voor Zwarte Piet.

Overbrugbaar

De kloof tussen de twee werelden is niet zomaar meer overbrugbaar. Het begint met het inzien dat de stigmatiserende houding jegens de witte onderklasse, die gedreven wordt door het onderbuikgevoel van de bovenklasse, niet door de beugel kan.  Dat vooroordeel is potentieel zelfs gevaarlijk omdat ze zorgt voor de vervreemding van een grote groep mensen. Zoals van Reybrouck in zijn pleidooi concludeert hebben wij niet zoveel te vrezen van populisme: ‘ Het populisme mag zo anti-elitair en anti-establishment zijn als het maar wil, zolang het maar niet antiparlementair en antidemocratisch is.’ Hij roept daarom op tot verlicht populisme; een benadering die de nieuwe maatschappelijke kloof erkent en ‘de onderkant van de samenleving als deel van de democratie blijft beschouwen.’

De hoogopgeleide speelt hierbij een sleutelrol. Bij hem zit immers de geestelijke blokkade. Het zou hem dan ook sieren om naast ‘Eat & Meet met een vluchteling‘ zich ook eens in te leven in de leefwereld van de laagopgeleide. Gewoon onbevooroordeeld het gesprek aangaan met een loodgieter, klusjesman of nagelstyliste— ja zelfs met de zo gevreesde PVV-stemmer. Dan zal men wellicht tot de conclusie  moeten komen dat jegens hen ook vooroordelen worden gekoesterd. En dat, net zoals in niet elke vluchteling een aanrander schuilt, niet elke laagopgeleide automatisch een schreeuwende, intolerante, xenofobische ‘tokkie’ is, maar gewoon een mens zoals u en ik.