D66 staat in de peilingen van Maurice de Hond op tien zetels, bijna een halvering ten opzichte van de negentien zetels die de partij nu in de Tweede Kamer heeft.

Dat D66 het nu slecht doet komt door de onvrede over de dividendbelasting, het uitzetten (en dan weer niet) van de twee Armeense kinderen, de samenwerking met het CDA en de ChristenUnie waar de ware progressief natuurlijk van gruwelt en roddels over Alexander Pechtold. Achter deze incidenten zit echter iets structureels.

De ware reden is dat D66 het als coalitiepartner nooit goed doet. Blijkbaar is D66 toch een partij van de zijlijn, die het goed doet als andere partijen er in een regering een zooitje van maken. D66 als redelijk alternatief, waarvoor er andere alternatieven zijn als de partij op het pluche zit.

Alleen in 1977 won de partij twee zetels, maar dat kwam omdat D66 toch enige afstand van het beleid van het kabinet-Den Uyl had genomen. In 1975, twee jaar na de vorming van het kabinet-Den Uyl, werd D66 bijna opgeheven. Op de vergadering waar dit zou moeten worden besloten was het quorum echter niet aanwezig, met als gevolg dat D66 bleef bestaan ondanks het feit dat de meerderheid van het congres van mening was dat de partij opgeheven zou moeten worden.

Dit is best wel apart. Natuurlijk geven kiezers uitdagers eerder het voordeel van de twijfel, maar de kiezer beloont ook regeringspartijen als er iets goeds gaat. Zo won het CDA in 1986 flink en de PvdA in 1998, omdat het kabinetsbeleid mede had geleid tot meer economische groei en meer werkgelegenheid. Niettemin gaat deze prijs wel naar de grootste politieke partij in de coalitie. Dit wordt in de politieke wetenschappen soms wel de premierbonus genoemd. D66 is altijd de junior partner in een kabinet geweest en heeft nog nooit deze bonus gekregen. Aan de andere kant, de VVD won in 1998 ook flink, terwijl de VVD niet de grootste partij in de paarse coalitie was. Het ligt wellicht dus toch echt aan iets anders.

Het probleem van D66 is dat deze partij geen ‘volkspartij’ is, maar een partij voor intellectuelen. VVD, CDA en PvdA zijn volkspartijen. Ze zijn er voor de elite, de bestuurders, de rijken en de intellectuelen, maar ook voor de gewone mensen. D66 is dat niet. Op D66-congressen heeft vrijwel iedereen een universitaire opleiding. Daar is uiteraard helemaal niets mis mee, maar het zorgt er ook voor dat D66 relatief veel tijd steekt in onderwerpen waar de gemiddelde kiezer geen interesse in heeft: privacy-wetgeving, ingewikkelde ethische thema’s als voltooid leven en donorregistratie en last but not least democratische vernieuwing. Praktische thema’s, denk aan belastingen, werkgelegenheid, uitkeringen, gezondheidszorg enzovoort zijn voor D66 uiteraard wel belangrijk, maar niet onderscheidend. Hiervoor moet je bij de VVD zijn, de PvdA of de SP. Ook het CDA en zelfs GroenLinks profileren zich beter op deze praktische thema’s beter dan D66.

GroenLinks maakt nu, omdat de PvdA als machtsfactor zo goed als verdwenen is, een beweging naar het midden. Vandaar dat Jesse Klaver veel zegt over economie en het niet alleen maar heeft over milieu, vluchtelingen en identity politics, de favoriete onderwerpen van linkse columnisten. Hoewel GroenLinks als gevolg van deze koers stemmen gaat verliezen aan de Partij voor de Dieren, BIJ1 en misschien ook wel DENK, wint GroenLinks hierdoor wel stemmen van de PvdA en D66. Als D66 zich opnieuw wil uitvinden, dat zou echter wel veel van de partij vergen, dan moeten de Democraten een volkspartij worden met een breder perspectief. Meer economie en meer sociaal, minder vrijblijvende hobby’s. Dat is een koers die voor de langere termijn effect sorteren zal.

 

Afbeelding: Wikipedia / Wikimedia Commons