Abdelhamid Taheri, de voorzitter van de salafistische As-Soennah Moskee in Den Haag, is niet blij met de benoeming van Ahmed Marcouch als burgemeester van Arnhem. De voormalige PvdA-parlementariër en ‘sheriff’ van Amsterdam-West zou polariseren tegen moslims.

Salafiwatcher Carel Brendel wees mij op twitter op de uitlatingen van de salafistische moskeebestuurder. Op zijn zijn Facebookpagina schrijft Taheri:

Ahmed Marcouch, die niet bekend staat om zijn bestuurlijke kwaliteiten, moet het politiek chaotisch en instabiel Arnhem gaan besturen. Blijkbaar zijn goede bestuurlijke competenties ondergeschikt aan het hebben van de juiste politieke kleur. Daarnaast staat Ahmed Marcouch ook niet bekend om zijn verbindende kracht in de samenleving. Ahmed Marcouch polariseert en zet hele groepen medelanders tegen elkaar op. (…)

Gedurende zijn kamerlidmaatschap heeft Ahmed Marcouch zijn pijlen alleen maar op de moslimgemeenschap gericht. Zo heeft hij gepleit om een hele geloofsgroep in Nederland te verbieden, ondanks dat dit evident in strijd is met onze Grondwet. Ik heb Ahmed Marcouch meermaals uitgenodigd om hierover in gesprek te gaan, maar net als Geert Wilders vlucht hij voor het inhoudelijke debat. Dit vluchtgedrag is tijdens de afgelopen verkiezingen genadeloos afgestraft. Slechts een paar duizend stemmen, waarvan maar 219 uit Arnhem, heeft Ahmed Marcouch binnengehaald. Des te meer de verbazing dat hij nu burgemeester is geworden.

Dat Taheri niet blij is met Marcouch wekt geen verbazing, want de PvdA-politicus pleitte voor een verbod op salafistische organisaties. Tegen de Volkskrant legde Marcouch enkele weken geleden zijn standpunt uit. Volgens hem bieden salafisten jihadstrijders een ideologie. ‘De stap van salafist naar Syriëganger is snel gezet.’ Marcouch is bijzonder kritisch over het antidemocratische en intolerante karakter van het salafisme. Ze zouden een haat uitdragen tegen andersdenkenden, ook tegen mainstreammoslims die niet radicaal genoeg zijn. Salafisten verschuilen zich volgens Marcouch achter religieuze orthodoxie, terwijl het salafisme in werkelijkheid een politieke ideologie is die naar macht streeft. Hij concludeert: ‘Het is een gevaarlijke ideologie, die in strijd is met de wet: ze zweren geweld niet af en zaaien haat.’

De grote vraag is natuurlijk of het verbod op het salafisme juridisch gezien wel haalbaar is, en bovendien in een liberale democratie wel wenselijk. Hoe antidemocratisch de salafistische geloofsovertuiging ook is, het is een stroming binnen de islam en er bestaan ook niet-gewelddadige en niet-politieke varianten van het salafisme. Het onderscheid tussen de verschillende substromingen wordt door Marcouch onvoldoende gemaakt. Het salafisme verbieden is in strijd met het recht op godsdienstvrijheid. Als je jihadisten wil aanpakken moet je dat op andere manieren doen. Dat is lastiger, maar noodzakelijk. We leven immers in een democratische rechtsstaat.

Uiteraard is de bewering van Taheri dat Marcouch tegen moslims zou zijn onzin. Marcouch is tegen radicale moslims en doet stevige uitspraken die hij niet waar kan maken. Niettemin is het interessant om te zien dat de PvdA-politicus niet alleen bij de PVV en bij Leefbaar Rotterdam, maar ook bij salafistische moslims veel weerstand oproept.