Afgelopen week bezocht de Palestijnse president Abbas de Tweede Kamer. Zijn komst leidde wederom tot een discussie over de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever – een thema dat vrijwel dagelijks ter sprake wordt gebracht in de politiek en in de media. De Nederlandse kritiek op de Israëlische premier Netanyahu zegt echter niet alleen iets over het lelijke karakter van deze bezetting. Het zegt ook iets over de opmerkelijke manier waarop wij naar vooruitgang op het gebied van mensenrechten in de wereld kijken.

Een veelgehoord punt van kritiek op Netanyahu is het feit dat hij – nu verschillende vredesinitiatieven zijn mislukt – nog geen einde heeft gemaakt aan de militaire bezetting van de Westelijke Jordaanoever door zich eenzijdig terug te trekken uit dit gebied, of in elk geval een deel daarvan. We verwijten hem een gebrek aan leiderschap en nemen hem kwalijk dat hij, anders dan zijn verre voorganger Yitschak Rabin, geen vredesakkoord weet te sluiten met de Palestijnen.

Hoewel de strekking van die kritiek wellicht legitiem is, gaan we voorbij aan een fundamentele omstandigheid: namelijk dat Israël de enige echte parlementaire democratie is in het Midden-Oosten en dat een parlementaire democratie vraagt om de steun van een parlementaire meerderheid, alvorens ingrijpende politieke beslissingen kunnen worden genomen. Rabin had in 1993 het mandaat om in het kader van de Oslo-vredesbesprekingen een akkoord met de PLO te sluiten omdat hij kon rekenen op de steun van precies 61 leden van de Knesset, de krapst mogelijke meerderheid. In de huidige samenstelling van de Knesset ontbreekt echter een meerderheid die onder de huidige veiligheidsomstandigheden bereid is tot territoriale concessies (Netanyahu’s ‘sceptische’ coalitie telt precies 61 zetels). En hoe graag Netanyahu de geschiedenis ook in zou willen gaan als historisch leider, blijft hij een premier die zich, net als Mark Rutte in Nederland, moet maar vooral ook wil aanpassen aan het politieke landschap. Zolang het Israëlische electoraat ervan overtuigd blijft dat de militaire bezetting meer veiligheid oplevert dan (eenzijdige) terugtrekking, zal sprake blijven van een, misschien onrechtmatige, maar wel democratisch gelegitimeerde bezetting. Als westerse politici zoals ikzelf dus oproepen tot terugtrekking, vragen we Netanyahu in feite de democratie te passeren ten gunste van de rechtsstaat.

Dat de democratie en rechtsstaat, hoe teleurstellend ook, niet altijd hand in hand gaan blijkt uit meerdere buitenlandpolitieke thema’s, ook in landen die veel minder democratisch zijn dan Israël. Zo spreekt Nederland Poetin en zijn regering regelmatig aan op de beroerde mensenrechtensituatie in Rusland. Dat Rusland geen mensenrechtenparadijs is blijkt onder meer uit de wettelijke discriminatie van homoseksuelen, bijvoorbeeld in de vorm van de ‘wet tegen homopropaganda’. Bij ieder bezoek aan Rusland stelt Nederland de discriminatie van homoseksuelen aan de orde, vaker dan ieder ander westers land. En terecht. Tegelijkertijd dienen we ons te realiseren dat de schending van rechten van homoseksuelen geen proefballon van Poetins regering is, maar een uiting van sentimenten onder de Russische bevolking, die vele malen conservatiever is dan Poetin zelf. Zo vindt slechts 3% van de Russische bevolking dat LHBT’s kinderen zouden moeten kunnen opvoeden en beschouwt slechts 15% van de Russen LHBT’s als normale mensen (met de voetnoot dat ze in principe niets met ze te maken willen hebben). Hoewel Poetins regering het zich kan permitteren veel besluiten zelfstandig te nemen, zal hij nooit wetgeving afdwingen die haaks staat op de overtuigingen van de bevolking. Wetten als de ‘antihomopropagandawet’ zijn dus onrechtsstatelijk volgens onze liberale mensenrechtenmeetlat, maar in zekere zin wel democratisch legitiem. Zolang we Poetin oproepen die wetgeving te herzien spreken we dus tegen dovemansoren, en handelen we in zijn ogen zelfs hypocriet, want hier is sprake van democratisch gelegitimeerde wetgeving.

Een derde relevant voorbeeld is de mensenrechtentoestand in Saoedi-Arabië. Recent werd bekend dat de stokslagen tegen de Saoedische blogger Raif Badawi – die afgelopen week de Europese Sacharov-prijs kreeg toegekend – worden hervat. Het Westen oefent nu druk uit op de Saoedische regering om die straf te herzien. En ook die internationale druk is terecht. Toch gaan we, net als in het voorgaande geval, voorbij aan het gegeven dat de bevolking van Saoedi-Arabië, hoe graag we het ook mogen willen, niet bestaat uit allemaal progressieve Raif Badawi’s, maar grotendeels uit ultraconservatieve wahabisten die nog vele malen behoudender zijn dan hun koningshuis, dat vergeleken met de bewoners van het Saoedische achterland vol vrijdenkers zit. Zo vindt zelfs een meerderheid van de Saoedische vrouwen dat het opheffen van het verbod op vrouwen achter het stuur onwenselijk is. Ook in dit geval heeft een regering niet alleen rekening te houden met de verwachtingen van westerse leiders, maar ook met die van de eigen achterban, zelfs als geen sprake is van een parlementaire democratie maar van een sociaal contract waarbij de regering beleid voert dat moet kunnen rekenen op de instemming van het grootste deel van de bevolking. Ook van Saoedi-Arabië kunnen we dus niet altijd verwachten dat veranderingen worden doorgevoerd die haaks staan op de overtuigingen van de gemiddelde burger.

Het liefst zien we dat democratie en rechtsstaat overal hand in hand gaan. Maar in werkelijkheid is dat niet altijd het geval. De implementatie van mensenrechten kan worden afgeremd door de democratie, ook als deze niet of nauwelijks is geïnstitutionaliseerd in de vorm van een parlement. We kunnen landen wel vragen om in de pas te lopen met de liberaal-westerse rechtscultuur, maar we kunnen niet verwachten dat implementatie direct volgt in het geval dat het draagvlak hiervoor ontbreekt. Toegegeven, dat is moeilijk te verteren voor de Nederlandse volksaard die altijd navolging op een boodschap verwacht. Maar het is inherent aan buitenlands beleid, waarbij de relatie niet wordt bepaald door mensenrechten en de navolging die wordt gegeven aan mensenrechtenkritiek maar waarbij mensenrechten aan de orde gesteld worden binnen de relatie.

Een oproep tot moreel leiderschap klinkt wenselijk, maar kan tegelijkertijd een oproep zijn tot handelen zonder draagvlak. Daartussen zit een dunne lijn. Vrienden en vijanden moeten we altijd blijven aanspreken langs de lijnen van wat wijzelf rechtvaardig beleid achten. Maar laten we ook niet raar opkijken als regeringen niet altijd naar ons luisteren. Soms zijn hun handen nu eenmaal – paradoxaal genoeg – gebonden door de democratische deugd die wij eveneens van hen verwachten.

Han ten Broeke is Kamerlid namens de VVD.