De Amsterdamse filosoof en schrijver in spé Peter van Duyvenvoorde bekeerde zich een jaar geleden tot het katholicisme. Waarom koos Van Duyvenvoorde in deze postmoderne tijden voor de beschermende baarmoeder van de moederkerk?

 

Een postmoderne, Spaanse katholiek

De levensgeschiedenis van Peter van Duyvenvoorde liep over andere paden en langs andere afgronden dan die van mij. Peter groeide op in Rijnsburg, de stad waar Spinoza zijn lenzen sleep. Hij deed nooit zijn best op school, ging naar het VMBO en daarna werken bij een slagerij. Peter deed dit twee jaar lang en draaide 60 uur in de week. Maar Peter miste iets. Dit was het niet. Hij ging boeken lezen, literatuur, en ontdekte Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Ook las Peter Ayn Rand, de roemruchtige libertarische ideoloog, en leerde van haar om in zichzelf te geloven, zijn eigen pad te volgen, zijn eigen ding te doen. ‘In die tijd was ik ook heel atheïstisch’, vertelt Peter.

Mede dankzij de inspiratie van Rand besloot Peter om weer terug te gaan naar school, om het VWO-diploma te halen. Zijn vader, die ondernemer was, betaalde dit. Maar vlak voor de diploma-uitreiking overleed zijn vader aan kanker. Peter was 19. ‘Na mijn diploma-uitreiking ben ik voor zes maanden naar Spanje gegaan, er even helemaal tussenuit. Ik heb Spaans geleerd. En achteraf kan ik zeggen dat hier misschien, ik weet het niet zeker, ook de opening is gemaakt voor mijn overgang later naar het katholicisme.’

Maar is Peter als bekeerling dan een echte jezuïet, een reactionaire Franco-adept die van mening is dat de carlisten op de Spaanse troon moeten en de inquisitie weer in ere moet worden hersteld? Zo erg is het gelukkig niet. Peter is, naar eigen zeggen, een ‘postmoderne Spaanse katholiek’. Hij vindt ‘bloed, offer en lijden’ heel belangrijk voor zijn geloof, maar het moet wel ‘gezellig’ blijven.

Over de sociale leer van de kerk is Peter daarentegen heel kritisch. ‘Met het celibaat voor priesters is niks mis, onthouding brengt je dichter bij God, maar de standpunten van de kerk over homo’s en anticonceptie zijn echt heel uit de tijd. Niet dat de kerk altijd met de tijd mee hoeft te gaan, maar het diepe besef dat de kerk altijd kenmerkt: dit is de leer, maar het leven vindt nu eenmaal plaats in de modder en daar is het vooral onze taak om uit te nodigen, te stimuleren en te troosten, lijkt door reactionaire krachten steeds meer onder druk te Staan. Het wordt soms bijna calvinistisch, en dat is voor niemand goed.’

Tinderfase en het sublieme

Peter is behalve postmodern ook heel mystiek. Hij spreekt over theurgie , het uitvoeren van rituelen om de menselijke ziel te verheffen uit de materiële wereld. Peter bedoelt hiermee: als God en de mens radicaal gescheiden zijn, en ze toch met elkaar in ontmoeting kunnen komen, hoe kan dat dan? Die communicatie is het kernpunt van zijn onderzoek.

God omschrijft Peter als ‘de supra-kosmische instantie die de personificatie is van het goede .’ Waarmee hij desgevraagd bedoeld: ‘God is het goede dat zich buiten alles begeeft, in die zin klopt de atheïstische opmerking dat God niet bestaat dan ook, Hij bestaat ook niet, en toch Is Hij.’

Peter vervolgt: ‘In het ritueel gebeurt er iets tussen het mysterie (God) en de mens. Je krijgt een inzicht, waardoor je wordt opgenomen in de orde der engelen. De kerntaak van priesters in een kerk is de communicatie tussen God en de mens te begeleiden. Zij zijn de tussenpersonen tussen de mens en het sublieme.’ Hij legt dit nader uit: ‘Het doel van het ritueel is om de mens open te maken voor dat wat van boven komt, Plato noemt het het licht, Augustinus noemt het liefde, maar het is hetzelfde. Geraakt worden door dat wat geen woorden heeft en op dat moment is het alsof je, naar Pseudo-Dionsysius, opgenomen wordt in de orde der engelen. Je lijkt opgeheven te worden en, al is het maar voor even en dat is ook het tragische van iedere mysticus of gelovige, samen te vallen met de wereld om je heen. En in dat moment, dat moment van inzicht besef je iets wat daarna een plek moet krijgen in de wereld: het Goede, verzachting, liefde. En dit is geen new age gebrabbel, he, lees Plato er maar op na, of Mozes: wat doet hij anders op de berg dan een inzicht krijgen in het Goede?’

Peter heeft een heftige ‘tinderfase’ gekend waarin hij zich ‘zonder gene overgaf aan het vlees. In de schaamte die daarna volgde, vond hij God juist: in de schaamte werd God plotseling aanwezig. En dat zorgde voor een dubbelzinnige houding: hij wist dat hij zich zou gaan schamen daarna, maar hij wist ook dat hij op die momenten God zou ervaren, dus moest hij zich telkens wel weer aan het vlees bezondigen.

Peter is niet alleen in zijn zoektocht. Iedere zondag gaat hij met Stephan Sanders, van De Groene Amsterdammer naar de kerk, ook een bekeerling. Ze hebben een diepe vriendschap opgebouwd en hij weet niet of hij zijn eerste katholieke jaar zo had kunnen volbrengen als hij Stephan daar niet had ontmoet. Wetende dat hij daar iedere zondag zit, vergroot, net als bij sporten, toch de druk om te gaan, hoe vroeg het soms ook lijkt op die zondagochtend. Twee bekeerlingen, samen hun nieuwgevonden geloof vormgevend. Daarnaast mentoreert Stephan hem ook op het gebied van schrijven, essays en fictie: Peter is nu bezig aan een roman over zijn amoureuze en religieuze avonturen en Stephan begeleidt hem daarbij. Ook Willem-Jan Otten, schrijver van onder andere de romans Specht en Zoon en Ons mankeert niets, kerkt hier.

 

Bach en tomatensoep

Als postmoderne katholiek ziet Peter de secularisatie ook als een positief iets. ‘De secularisering heeft een einde gemaakt aan de macht van de kerk. Hierdoor kunnen gelovigen zich meer op het geestelijke richten. Toen de kerk nog veel invloed had was de sociale leer – met alle geboden en verboden – heel belangrijk. Mensen werden slaaf van deze regeltjes. Gelukkig ligt die tijd echter achter ons.’

Maar waarom kiest een hoogopgeleide, filosofisch goed geschoolde jongen dan voor het geestelijk juk van een kerk? Had Peter niet veel beter vrij spiritueel kunnen worden, een eigenwillige godsdienst kunnen verzinnen?

‘Mijn keuze voor de katholieke kerk is heel bewust. Ik ging geschiedenis studeren aan de UvA in Amsterdam en na mijn propedeuse filosofie aan de Universiteit Utrecht. Ik volgde toen ik in Utrecht studeerde ook colleges aan de Universiteit voor Humanistiek aldaar. Laurens ten Kate liet tijdens een college een stuk van Bach horen, het Erbarme dich, mein Gott, uit de Matthäuspassion. Er ging een wereld voor mij open die ik niet kende. Ik was nogal acultureel opgevoed, dit was een openbaring.’

In navolging van enkele filosofen en filmmakers, met name Tarkovsky, had Peter de opvatting dat de mens met het wegvallen van de religieuze taal, iets fundamenteels kwijt was geraakt om nu juist de onuitspreekbare dingen, liefde, dood, eenzaamheid, hoop, toch uitspreekbaar te maken. Uiteindelijk kwam hij na lang onderzoek erachter dat er gewoonweg geen betere religieuze taal is dan die van de katholieke kerk.

Toen besloot Peter om katholieke kerkdiensten te bezoeken, om die taal nog beter te kunnen begrijpen. Gedurende al die tijd had hij een vriendin, maar met zijn nieuwe religieuze bewustzijn kwam ook de vraag naar een priesterroeping op het toneel ‘het was, en is eigenlijk nog steeds, alsof er altijd iemand in de hoek van de kamer zit en zachtjes mijn naam fluistert. En ik weet het niet, ik kan me best voorstellen dat ik daar op een dag gehoor aan geef.’ Die fluistering was ook een reden om zijn relatie te beëindigen. Gebonden aan haar, kon hij het allemaal niet helder krijgen.

Veel indruk maakte ook een kloosterbezoek. ‘Ik ging met een aantal evangelische christenen uit Amsterdam mee naar een klooster. Ze vroegen of ik ook mee wilde. In dat klooster was een kleine kapel in de kelder met een afbeelding van de Maagd. Iedere dag ging ik daar naartoe, om voor me uit te staren. Op vrijdag, we hadden tomatensoep gegeten, begon ik voor het eerst te bidden en plotseling ontstond die betovering, dat alsof je opgenomen wordt in de orde der engelen. God? Of misschien was het toch de tomatensoep.’

Het bezoek aan het klooster was een tijd dat Peter voor het eerst even werkelijk tot stilstand kwam: zijn overleden vader, het einde van zijn relatie, de omwenteling van jaren daarvoor, van slager weer terug naar school en alles achter zich te laten, het was alsof in die paar dagen alles even de aandacht kreeg die het moest hebben. Dat klooster was uiteindelijk het sluitstuk: alle rationele onderzoekingen van daarvoor drongen opeens door tot zijn existentie, en het was ook het begin: vanaf dat moment begon Peter iedere zondag naar de kerk te gaan. Niet dat het makkelijk was, een lange tijd viel hij in een soort religieus gat, de ‘stilte na de ervaring’. Toen hij de mystieke dichter Johannes van het Kruis kwam ontdekte hij dat dit normaal was: hij sprak over de nacht die altijd ontstaat na de eerste aanraking met God, en die ook noodzakelijk is, en in die nacht is het zaak om geduldig te blijven en open te blijven staan voor het onverwachte moment dat het toch weer kan ontstaan.

 

Symbolenblindheid en troostrijke taal

Maar hoe gelovig is Peter? ‘Ik aanvaard het, maar ik weet niet of ik het geloof.’ Voor Peter zijn Jezus, het kruis en al die andere dingen waar, maar niet rationeel. Credo quia absurdum? Peter gelooft omdat het absurd is? ‘Nee, dat is het ook niet. Het is iets anders, iets fenomenologisch. Met Pasen vieren we dat hij herrezen is. Ik voelde intense vreugde, maar weet niet of Jezus echt uit de dood is opgestaan.’

Volgens Peter gaat het heel erg om symbolen. Gerard Reve verweet zijn broer Karel van het Reve, de beroemde essayist, dat hij leed aan ‘symbolenblindheid’. De protestanten hebben hier volgens Peter ook een beetje last van. ‘Hun geloof is te rationalistisch. Het moet juist mystiek zijn . Het bloed, het offer, het lijden.’

Het ‘zeker weten’ van de protestanten is niet aan Peter besteed: ‘Onder alle rationaliseringen, alle verweringen, alle verdedigingen gaat het misschien uiteindelijk gewoon om Liefde. In Gods aanraking wordt de diepste liefde en troost voelbaar, zoals je het voelen kon toen je nog een jongetje was en je met je hoofd op de borst van je moeder lag. Al het andere is, hoe waar het misschien ook is en hoe goed het ook te beargumenteren valt, een schild om dat niet te erkennen: dat ik ten diepst naar die onvoorwaardelijke liefde verlang, en die vind ik in Hem en, meer nog, in het gelaat van de Maagd dat in de vorm van een icoontje boven mijn bed hangt.’

Ten slotte spreken Peter en ik ook nog even kort over de waan van de dag. Peter is in zijn analyse allesbehalve reactionair, sterker nog, hij vindt sommige politieke ontwikkelingen positief die ik zelf zeer kritisch beoordeel. We hebben het dus over Identity Politics en de protesten tegen Zwarte Piet en aparte toiletten voor transgenders. Peter wil zich niet blindstaren op de extremisten onder de activisten, maar vindt de linkse strijd voor sociale rechtvaardigheid heel legitiem. ‘We moeten eigenlijk naar een nieuwe synthese toe, waar we elkaar weer kunnen vinden.’

Uiteraard bekijkt Peter de strijd der linkse ijveraars ook door een religieus-filosofische blik: ‘Het lijkt wel alsof Taal de rol van God over moet nemen. Waar vroeger God mij meer liefhad dan dat ik mijzelf liefhad en mij beter kende dan dat ik mijzelf kende, en dus in Zijn aanwezigheid de diepste erkenning en troost lag besloten, probeerden we het na Zijn dood in de ander te vinden: in het gelaat van de ander kan ik mij erkend en getroost weten. Nu is zelfs dat niet meer voldoende, maar dat verlangen is er natuurlijk nog steeds. De ander is blijkbaar de hel voor die activisten. Nu moet Taal een gelaat in zichzelf dragen en ons troost bieden. Terwijl, taal kan troostend zijn, maar kan het ook niet zijn. Taal is niet ontologisch Goed of Troostrijk, haar dat wel proberen te maken is een herhaling van de negentiende eeuw: als we dit doorzetten zal op een dag een ziener de dood van Taal verkondigen op het marktplein.