Of Oranje en zijn betekenis voor ons democratische vocabulaire

 

 

Oud-politicus en historicus Coos Huijsen raapt de handschoen op die de jonge historici Aron Brouwer en Marthijn Wouters hem hebben toegeworpen.

 

‘Historische correctheid’

De historicus E.H. Kossmann (1922-2003) zag de Nederlandse natie als een doorlopend gesprek. Deze metafoor zou eveneens van toepassing kunnen zijn op de geschiedenis van Nederland. Niet zo gek dus dat door de geschiedenis heen ook het beeld van de grondlegger van Nederland, Willem van Oranje (1533-1584) onderwerp van discussie is geweest. P.C. Hooft (1581-1647) en Hugo de Groot (1583-1645), die de basis legden voor de Nederlandse historiografie namen de vrijheidsstrijd als uitgangspunt en roemden Oranjes onverwoestbare inzet hierin. Bij deze post-tijdgenoten is Oranje al in beeld als ‘vader des vaderlands’. De calvinisten zagen hem het liefst als geloofsheld. Maar voor katholieken bleef Oranje lang een afvallige, een verrader en een opportunist pur sang. De titel van het recent verschenen boek van Aron Brouwer en Marthijn Wouters Willem van Oranje: de opportunistische vader des vaderlands belooft dus niet direct een originele invalshoek.

Genoemde auteurs zou ik tot de categorie van de ‘debunkers’ willen rekenen. Debunking dan niet als streven om, waar mogelijk, historische fabeltjes door te prikken die voortvloeien uit religieus, nationaal of anderszins bepaalde vooringenomenheden. Gelet op het misbruik dat er ook van de geschiedenis is gemaakt, dient elke historicus dit doel voor ogen te staan. Maar onder ‘debunkers’ versta ik degenen voor wie historisch onderzoek eigenlijk uitsluitend en alleen geslaagd kan zijn als er wordt aangetoond dat een eerder gunstig oordeel over of beeld van de geschiedenis niet zou kloppen. Vooral het eigen verleden van de natie is hiervoor populair terrein. Zo blijkt politieke correctheid zich in de geschiedschrijving te kunnen manifesteren als ‘historische correctheid’ en dreigt De Tocquevilles vrees voor een toenemend conformisme in de democratische samenleving ook hier te worden bewaarheid.

 

Kretologie

‘Debunkers’ onderbouwen hun negatieve oordelen bijvoorbeeld door criteria uit de moderne maatschappij rücksichtslos toe te passen op het verleden. Als Brouwer en Wouters Oranjes vermeende huichelachtigheid willen aantonen, doen ze dit door zijn wisselen van godsdienst (protestants of katholiek) te vergelijken met iemand die tegenwoordig de ene keer een joods en de andere keer een islamitisch standpunt zou verkondigen. Alsof religieuze belevingen in ruim viereneenhalve eeuw niet wezenlijk veranderd zouden kunnen zijn!

Een andere methode is om verhalen van anderen drastisch te simplificeren, via een zogenaamd stroverhaal en dit vervolgens ‘intelligent’ te ‘ontmythologiseren’. Dit proberen deze auteurs ook als ze, verwijzend naar ‘Nederland en het verhaal van Oranje’ (Coos Huijsen, 2012) gaan weerleggen dat Oranje ‘streed voor democratie en mondig burgerschap’. Maar zo simpeltjes wordt dit in ‘Nederland en het verhaal van Oranje’ niet gesteld. Oranje wordt er beschreven als grondlegger van de Nederlandse onafhankelijkheid, ‘die een vroege aanzet gaf tot democratisch denken ruim tweehonderd jaar voor de Amerikaanse en Franse revoluties.’ Hiermee wordt onder meer teruggegrepen naar de linksliberale en gewoonlijk zeer Oranjekritische historicus G.W. Kernkamp (1864-1943). In zijn rede die hij hield op 24 april 1933, tijdens de Oranjeherdenking, prees hij Willem van Oranje, zoals de meeste sprekers, vanwege zijn inzet voor vrijheid en verdraagzaamheid. Opvallend was dat hij de rede de titel meegaf van: ‘De Geuzenprins’. Hij wilde daarmee aangeven dat hij Oranje ook zag als leider  van een volksopstand. Kernkamp vond dat hij hiervan kon spreken omdat Oranje verder reikend dan de magistraten en de schutterij, had getracht de gehele burgerij bij de opstand te betrekken. Dit nu zou kunnen worden gezien als een vroege aanzet tot democratisch denken. Hiermee is Oranje natuurlijk nog niet meteen een moderne democraat geworden.

Aan dit soort, voor een volwassen discussie onmisbare nuanceringen gaan debunkers structureel voorbij. Anders zou er voor hen immers onvoldoende te debunken overblijven. Dit moet ook de reden zijn waarom de historiografie er bij hen überhaupt zo bekaaid afkomt. Het is veel kretologie. Hoe anders is dit met Willem van Oranje. Een biografisch portret van A. Th van Deursen (Bert Bakker, 2016) dat vorig jaar gedeeltelijk als herdruk verscheen. In een beknopt werkje (In der Beschränkung…) schetst Van Deursen (1931-2011), die bij leven tot een van de meest eminente historici van Nederland werd gerekend, het beeld van Oranje. Hoewel de auteur vanuit zijn reformatorische achtergrond Oranje allereerst had leren kennen als ‘geloofsheld’, laat de discussie – door de eeuwen heen  – over de ‘vader des vaderlands hem niet onberoerd en waardeert hij Oranje later vooral om zijn inzet voor vrijheid en verdraagzaamheid en eenheid in verscheidenheid. Dit lijkt me nog steeds relevant in een democratie waar we een gedeelde taal nodig weten om elkaar te verstaan.

 

Coos Huijsen

 

Afbeelding: Willem van Oranje, Gebrandschilderd Glas 25 in de Sint-Janskerk in Gouda: “Het ontzet van Leiden”. Wikimedia / Wikipedia Commons.