De grote discussie die Nederland momenteel in zijn greep houdt, is niet alleen ongekend spannend maar heeft ook iets dodelijk vermoeiends. Ongekend spannend, omdat niemand kan voorspellen hoe dit afloopt.

De vluchtelingenstromen zullen blijven aanhouden – alleen al in Nederland zullen dit jaar 90.000 vluchtelingen hun heil zoeken. Verontrust door de berichten uit Keulen en asielzoekerscentra laat een grote groep Nederlanders steeds vaker een ruige stem van protest horen. Aan de ene kant van het politieke spectrum lispelen politici dat we het fysiek en financieel allemaal makkelijk aan kunnen. Daar hebben ze het over gastvrijheid, mensenrechten en het multiculturele ideaal, en durven ze de schenners van Keulen zelfs – ter relativering – met onze eigen SGP te vergelijken. Politici jokken over de aantallen of doen loze belofte beloften – zoals Mark Rutte, die gisteren in Straatsburg zei dat de stromen binnen acht weken zullen worden ingedamd. Aan de andere kant staat de PVV van Geert Wilders, van wie zijn tegenstanders nu zeggen dat hij blijkbaar een punt heeft gehad maar tegelijk druk bezig zijn met het opbouwen van een cordon sanitair rondom zijn partij. Aanhoudende dreiging en een onmachtige politiek – je houdt soms je hart vast.

Tegelijk heeft het debat en hebben alle schijnbewegingen er omheen ook iets vermoeiends, iets verlammends bijna. Alsof we dit allemaal niet hadden kunnen weten en ons niet tijdig hadden kunnen beraden over wat ons te doen staat.

Na de val van de Muur publiceerde de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama een artikel (later uitgewerkt in het boek The End of History and the Last Man, 1992) waarin hij beweerde dat er met het einde van het grote ideologische conflict tussen kapitalisme en communisme een einde aan de geschiedenis was gekomen. Fukuyama voorspelde de globale triomf van het politieke en economische liberalisme.

Ten minste, zo werd hij gelezen. Maar wie zijn boek helemaal uit las, kwam tot een andere interpretatie. Fukuyama vergeleek die toekomstige liberale wereld met een stad, waar rijkdom, vrede en vrijheid hadden gezegevierd. Veel treinen waren naar die stad onderweg – en dat beeld leek te suggereren dat de gehele wereld op weg was om in deze droom van eeuwige vrede en welvaart te delen. Maar dat schreef Fukuyama niet. Hij dacht ook dat vele treinen nooit in de liberale stad zouden aankomen. En, belangrijker nog: er zouden met al die treinen mensen van ver in de stad aankomen, daar ook uitstappen en er zich vestigen, maar na verloop van tijd zouden ze er zich vervelen of niet thuis voelen en de stad weer verlaten, of zich agressief tegen die stad keren.

De grootste liberale leugen is dat iedereen op de boodschap van rijkdom en vredig genot zit te wachten. Dat als al die mensen hier eenmaal zijn, zij zo blij zullen worden en er zo graag bij willen horen dat ze zich snel zullen aanpassen. Dat is niet zo. De laatste mens – tevreden met zijn kleine genoegens, tuintje, huisje en boompje – is niet voor iedereen een wenkend perspectief.

Omdat we dit niet willen, niet kúnnen horen, stellen we alles in het werk om deze werkelijkheid niet onder ogen te hoeven zien. Als de agressie zich tegen ons keert, slaan we snel aan het relativeren. Autochtone mannen kunnen er ook wat van, zeggen we dan als het over Keulen gaat. Ze zijn niet allemaal zo, sterker: de meesten zijn helemaal niet zo. Of we worden zelfs overmoedig en poneren dat we dit alles gemakkelijk gaan schaffen.

Het grote probleem is dus dat de samenleving wordt verscheurd door twee uitersten en dat er geen midden is. Dat wil zeggen: er is aan de ene kant de assertieve, viriele cultuur van de islam. En daar staat niet veel meer tegenover dan een alles weg relativerende, bangige cultuur van laatste mensen, die het ten diepste allemaal niet meer kunnen volgen. Zoals ik een Amerikaanse vriend eens heb horen zeggen: The Dutch are so broad-minded that their brains have fallen out.

Oké, tot slot een onvervalst godwinnetje. Maar niet met de PVV in de rol van het fascisme. Deze verwijzing naar de jaren dertig doet vermoeden hoe onze politieke leegte moet worden opgevuld.

Een van de leermeesters van Fukuyama, de Amerikaans-Joodse filosoof Leo Strauss, verklaarde het fascisme van de jaren dertig uit een nihilisme dat een grote groep mensen (vooral jongeren) in de greep had gekregen. Hij laat zien hoe zich daarbij een merkwaardige paradox voordeed. Het Duitse nihilisme had een niet-nihilistische bron. Dat wil zeggen: veel jongeren uit die tijd verwierpen de wereld om hen heen, de wereld van de laatste mens, de liberale huisje-boompje-beestje-mens, de mens van materialisme en vooruitgang, van productie en consumptie, van comfort en genot. Zij wilden een wereld waarin ‘een groot hart kon kloppen en een grote ziel kon ademen’. Maar het alternatief dat zij zochten, diende zich nergens aan. Ze wisten wel wat ze niet wilden, maar vonden niet wat zij wel wilden. Waar het vooral aan ontbrak, volgens Strauss, waren ouderwetse leraren die de aspiraties van hun leerlingen begrepen, die de destructieve kant van die aspiraties in heldere taal konden kanaliseren in positieve aspiraties, en die dat konden omdat zij zélf de verleidingen van hun tijd door jaren van hard en onafhankelijk denken hadden overwonnen.

Hij kende maar één politicus die dat intuïtief begreep en een gezond conservatisme propageerde: Winston Churchill. Maar die man was toen al een witte raaf, en boven ons politieke landschap verheffen zich vooral krassende, zwarte kraaien.