Plato was de eerste utopist, maar het begrip utopie is bedacht door Thomas More, die in 1516 het boek Utopia schreef. Hoe ziet Mores ideale samenleving eruit? En hoe serieus moeten we Utopia nemen?

De Engelse humanist Thomas More (1478-1535) kwam nogal vervelend aan zijn einde. Hij werd op bevel van koning Hendrik VIII onthoofd, omdat More weigerde de koning te erkennen als hoofd van de Church of England. De morele More vond het fout dat Hendrik was gescheiden van zijn eerste vrouw, was hertrouwd met lichtekooi Anna Boleyn (die overigens ook onthoofd zou worden, maar dat terzijde) en de band met de Katholieke Kerk had doorgesneden. Hendrik VIII kon principiële personen niet gebruiken en stuurde zijn hooggeleerde adviseur naar het schavot. Precies 400 jaar later, in 1935, besloot de Katholieke Kerk More heilig te verklaren.

In zijn leven was More de beste vriend van de Nederlandse humanist Desiderius Erasmus (1469-1536). Recent nieuwsfeitje: volgens de Belgische wetenschapper Jan van der Stock (KU Leuven) is Erasmus hoogstwaarschijnlijk Raphaël Hythlodaeus, de man die in Utopia More vertelde over het ideale droomeiland.

Onze humanisten ontmoetten elkaar voor het eerst in 1499. Erasmus logeerde vaak bij More en droeg in 1509 zijn boek De lof der zotheid op aan zijn Engelse vriend. De lof der zotheid was geschreven in het Latijn en de Latijnse titel luidde Moriae encomium, wat ook vertaald kan worden met De lof op More. Humanisten waren dol op Latijnse woordgrappen. More maakt ze ook veelvuldig in Utopia. Het Latijnse woord Utopia betekent ‘niet-bestaande’ plaats. Dit lijkt op eutopia, wat ‘plaats van geluk’ betekent. More begint zijn boek dan ook met een humoristisch gedicht, dat in de Nederlandse vertaling van Paul Silverentand (2008) zo luidt:

‘Utopia heet ik, het land waar niemand heen wil gaan,
en toch kan ik met Plato’s Staat de vergelijking aan;
ik win misschien zelfs wel, want die bestaat slechts uit papier
en loze praat, terwijl het allemaal wel echt is hier!
Mijn wetten zijn het allerbest, mijn volk is rijk en blij:
Eutopia, land van geluk, die naam past meer bij mij!’

Humanistische maatschappijkritiek

Erasmus kritiseerde in De lof der zotheid op humoristische wijze de maatschappij. De kerk, de koningen en keizers, de monniken en de bisschoppen, maar ook de gewone mensen, ze kregen er allemaal genadeloos van langs. More doet in Utopia eigenlijk hetzelfde. Hij maakte een Erasmusje.

Het boek Utopia bestaat uit twee delen. Deel één bestaat uit een felle kritiek op het Engeland van de vroege zestiende eeuw. More hekelt het onteigenen van gemeenschappelijke stukken landbouwgrond als gevolg van de Enclosure. De opkooppraktijken van de rijken brachten veel boeren tot de bedelstaf. Vanwege deze kritiek wordt de Engelse humanist door sommigen beschouwd als een voorloper van Karl Marx. Ook More voelt veel voor de collectivisering van de productiemiddelen.

In deel één van Utopia wordt een fel debat over het nut van de doodstraf gevoerd. Hoewel More geen principiële tegenstander is van de doodstraf vindt hij dat dieven niet tot de galg veroordeeld mogen worden. Dat is volgens hem ook niet Bijbels, want in de Bijbel werden dieven weliswaar bestraft, maar nooit met hun leven. More is voorstander van dwangarbeid, want dan maken dieven zich ook nog een beetje nuttig.

Belangrijker is echter Mores stevige kritiek op het buitenlandse beleid van de Europese vorsten. Begin zestiende eeuw waren de Europese vorstenhuizen regelmatig met elkaar in conflict over Italië. Nadat de Franse koning Karel VIII in 1494 Italië was binnengevallen met een groot huurleger vochten de Europese staten een serie oorlogen met elkaar, waarin ze steeds van bondgenootschap wisselden. De Fransen wilden graag heer en meester van Italië worden, maar werden tegengewerkt door de Italiaanse staatjes, Spanje en het Duitse Rijk.

Volgens More was oorlog slecht voor een land: uiteindelijk bleven veroveringen toch maar van korte duur, omdat de inwoners van het veroverde land in opstand kwamen tegen hun onderdrukkers. Daarnaast raakte de schatkist als gevolg van de dure oorlogen leeg, wat voor de vorsten een reden was om nieuwe belastingen op te leggen aan het volk dat toch al zo zwaar werd belast. More had een lage dunk van huurlingen. De Zwitserse huurlingen, maar ook de Landsknechte van de Duitse keizer, vochten voor diegene die het meest betaalde en wisselden daarom nogal eens van strijdende partij. Oorlog, zo meende More, was niets anders dan een kostbare hobby voor koningen en keizers, ter meerdere eer en glorie van hun ego, terwijl het volk rust, vrede en welvaart wenste.

Het eiland Utopia

More verzon het eiland Utopia als een soort van tegenhanger van het vroeg zestiende-eeuwse Engeland. Beide eilanden waren even groot, maar qua bestuur en samenleving verschilden ze hemelsbreed van elkaar. In Engeland was veel onrecht en ongelijkheid, Utopia was rechtvaardig en haar inwoners waren er gelijk.

In veel opzichten was More zijn tijd ver vooruit. In zijn Utopia is er kinderopvang, gratis onderwijs, gratis geld, worden er democratische verkiezingen georganiseerd, worden mensen niet op grond van hun afwijkende godsdienstige denkbeelden ter dood gebracht en krijgen mensen die vinden dat ze ondraaglijk en zinloos lijden de mogelijkheid aangeboden om te kiezen voor euthanasie. Begin zestiende eeuw waren dit waanzinnige ideeën, maar afgezien van het gratis onderwijs en het gratis geld hebben wij al deze zaken nu ook ingevoerd.

Utopia heeft echter ook een totalitaire kant. Alle steden zien er hetzelfde uit, de inwoners van Utopia hebben uniforme kleren aan, er wordt veel gebruik gemaakt van dwangarbeid, op overspel staat de doodstraf, het atheïsme is verboden en atheïsten worden de samenleving uit verbannen. Hoewel More als humanist veel vrijer is dan zijn tijdgenoten kan hij zich niet voorstellen dat atheïsten, mensen die niet geloven in een God, in een laatste oordeel en in een leven na de dood,  morele mensen kunnen zijn. Dat zijn volgens hem alleen de Godgelovers.

More moet, zoals al bleek uit het eerste deel van zijn boek, niets van oorlog hebben. Het eiland Utopia voert liever geen oorlogen en probeert eventuele vijanden om te kopen. Als het wel tot een oorlog komt dan huren de Utopiërs de Zapoletae (door Silverentand vertaald met ‘Handelsen’) in, de Zwitsers van Mores wondere wereld. De Zapoletae vechten alleen voor goud en vechten voor de hoogste bieder. Omdat de Utopiërs zo rijk zijn en het beste betalen zijn de trouweloze Zapoletae toch trouwe huurlingen. In het uiterste geval, als ook de huurlingenlegers niet voldoende zijn, vechten de burgers van Utopia zelf. Net als bij Plato’s Kallipolis mogen de vrouwen in dit geval ook meevechten.

De Utopiërs voeren naar eigen zeggen alleen defensieve oorlogen en zijn niet uit op de vernietiging van hun vijanden, maar streven een internationale politieke orde na die door harmonie wordt beheerst. Enkele buurlanden, door de Utopiërs ‘bondgenoten’ genoemd, hebben zich naar deze orde gevoegd en hebben de Utopiërs zelfs gevraagd om wijze bestuurders te sturen. Utopia als EUtopia dus dat op het internationale toneel steeds meer macht probeert te verwerven door het sluiten van verdragen met buurlanden. More heeft het woord associatieverdrag nog net niet in de mond genomen.

Een ander imperialistisch element zijn de koloniën die Utopia sticht. Net als de oude Griekse poleis kampen de steden in Utopia met een geboorteoverschot. Dit wordt opgelost door koloniën te stichten, maar alleen in die gebieden die ‘leeg’ zijn (leeg in de zin van  Martin Bosma). Deze koloniën vormen onafhankelijke staten, maar behouden wel een band met Utopia en lijken qua cultuur ook op hun moederland.

Thomas More en Niccolò Machiavelli

Sint Thomas is sinds 2000 de beschermheilige van staatslieden en politici. Een hele eer, die zijn tijdgenoot Niccolò Machiavelli als advocaat van de duivel uiteraard nooit ten deel zal vallen. In dezelfde tijd dat More bezig was met Utopia schreef de Florentijnse filosoof zijn beroemdste boek: Il Principe (i het Nederlands vaak vertaald met De Vorst of met De Heerser). De boeken van More en Machiavelli gaan allebei over politiek, maar hun idealen lijken haaks op elkaar te staan. Waar More de bestaande orde bekritiseert en de zucht naar macht en glorie verkeerd vindt, moreel fout zelfs, daar gaat Machiavelli helemaal op in het politieke spel en vindt hij alles fantastisch. More is de teleurgestelde idealist, Machiavelli de optimistische realist.

Net als More besteedt Machiavalli veel aandacht aan de Italiaanse oorlogen. In plaats van de vorsten en hun oorlogen aan een moreel oordeel te onderwerpen beoordeelt hij het puur zakelijk, puur politiek: wat moet iemand doen om aan de macht te komen en wat om aan de macht te blijven?  De grootste fout van de Franse koningen was niet dat uit waren op eer en glorie, maar dat ze niet listig genoeg waren. Vandaar dat de Italiaanse staatjes er samen met Spanje en het Duitse Rijk steeds weer in slaagden de Fransen te verslaan. Een vorst die volgens de Florentijn het politieke spel wel goed had begrepen was Cesare Borgia, hertog Valentino, de zoon van paus Alexander VI. Liegen en bedriegen, moord en buitensporig geweld, het mag allemaal van Machiavelli zolang dit het politieke doel maar dient.

Toch zijn er ook overeenkomsten tussen het politieke filosofieën van More en Machiavelli. De Engelse humanist was niet helemaal vies van machiavellistische politiek, want de Utopiërs doen er alles aan om oorlog te voorkomen en zijn bereid om daarvoor alle middelen in te zetten, mits daar (niet te veel) bloed bij vloeit. More had een diepe afkeer van oorlog en geweld, maar was geen utopische luchtfietser. Op zijn beurt was Machiavelli minder cynisch dan soms wel is verondersteld. In zijn andere grote werk, Discorsi (volledige titel: Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio, in het Nederlands: Verhandelingen over de eerste tien boeken van Titus Livius), voert de Italiaanse filosoof een hartstochtelijk pleidooi voor de republiek als ideale staatsvorm. Machiavelli is voor een gemeenschap van weerbare burgers die in alle vrijheid hun staat besturen.

Mores Utopia is dus geen monarchie met een filosoof-koning, zoals Kallipolis van Pato, maar heeft als federatieve republiek met democratische trekken meer gemeen met de ideale staat van Machiavelli. Niettemin maakte de ideale republiek van Machiavelli in tegenstelling tot Utopia liever geen gebruik van huursoldaten, juist omdat deze zo onbetrouwbaar waren. Net als het oude Athene en de vroege Romeinse republiek moest de Florentijnse republiek verdedigd worden door de weerbare burgers. Dat konden volgens Machiavelli alleen maar mannen zijn.

De tragische ironie van Utopia

In tegenstelling tot Il Principe kreeg Utopia als politiek boek al snel veel navolging. Geïnspireerd door More bedachten meer Europese schrijvers hun utopie. Zo schreef de Italiaanse filosoof Tommaso Campanella begin zeventiende eeuw het theocratische vrederijk La città del Sole (De stad van de Zon) en fantaseerde de Engelse geleerde Francis Bacon over New Atlantis, een technologische heilstaat. Er waren tientallen van dit soort verhalen.

Utopia onderscheidt zich van de meeste van deze utopieën door een satirische insteek. More was beslist geen linkse luchtkastelenbouwer, geen Rutger Bregman avant la lettre. In Utopia staan veel ideeën in die hij als vrome katholiek absoluut niet onderschreef, zoals de legalisering van euthanasie en vrouwelijke priesters. Er moest volgens More wat gedaan worden tegen de sociale ongelijkheid, maar de invoering van een basisinkomen achtte hij irreëel. De Engelse humanist wilde zijn lezers aan het denken zetten, het was geenszins zijn bedoeling ze te bekeren tot een groots visioen.

De tragische ironie van de geschiedenis is echter dat Utopia later veel serieuzer gelezen werd dan dat de bedoeling was. Karl Marx, Friedrich Engels en Karl Kautsky beschouwden More als een wegbereider van het marxisme en de Sovjet-Unie vereeuwigde More op de Obelisk van Revolutionaire Denkers. Van Mores droomland der zotheid maakten de communisten een zotte nachtmerrie.