Op 13 juli 1793 werd de Franse jacobijn Jean-Paul Marat in bad vermoord. De moord op Marat zorgde voor escalatie van de revolutionaire terreur.

 

Jacques-Louis_David_-_De_moord_op_Marat_-_MSK_Brussel_25-02-2011_13-11-35De vriend van het volk

In Brussel hangt het beroemde schilderij van Jacques-Louis David van Marat, waarin de Franse revolutionair dood in zijn bad ligt. Hij is net vermoord door Charlotte Corday, die hem heeft neergestoken met een mes. Marat was een persoonlijke vriend van David, die erg ontdaan was door de moord. Het schilderij maakte van Marat een martelaar. Hij ligt er een beetje bij als Christus in Michelangelo’s Pieta, de levenloze verlosser die stierf voor ons.

Marat dankte zijn populariteit aan zijn emotionele stijl. Als schrijver en spreker wist hij een gevoelige snaar te raken bij het Parijse volk, in tegenstelling tot de andere Jacobijnse politici die veel intellectualistischer waren. Marats krant, L’Ami du peuple, De vriend van het volk, kwam op voor de rechten van het volk en verzette zich tegen de ‘vijanden’ van het volk. De krant was omstreden, want regelmatig braken en ongeregeldheden uit naar aanleiding van een nieuw nummer.

Toen de Franse Revolutie in 1789 uitbrak was Marat van mening dat deze radicaal moest worden doorgevoerd. Er was geen ruimte voor twijfel, voor gematigdheid, voor aarzeling. Zo stelde hij in juli 1790, een jaar na de bestorming van de Bastille:

Vijf- of zeshonderd afgesneden koppen zouden je rust, vrijheid en geluk verzekerd hebben. Een valse medemenselijkheid heeft je armen tegengehouden en je slagen uitgesteld; daardoor zullen miljoenen van je broeders hun leven verliezen.

Profetische woorden, want hoewel de guillotine toen nog niet bestond als executieapparaat zouden er vanaf 1792-1793 tienduizenden koppen worden afgesneden, zogenaamd om de revolutie veilig te stellen.

In september 1792, toen Parijs werd bedreigd door de legers van Pruisen en Oostenrijk, stelde Marat lijsten op van mensen die onder de guillotine moesten sterven. Ook stond hij achter de beruchte septembermoorden, toen een Parijse meute politieke gevangenen afslachtte. Marat kreeg het aan de stok met Georges Danton, een gematigde Jacobijnse voorman, en met de beroemde schrijver Thomas Paine die van mening was dat Lodewijk XVI niet moest worden onthoofd maar naar Amerika zou moeten worden verbannen. Marats belangrijkste tegenstanders waren echter de Girondijnen, de gematigde partij van de Franse Revolutie. Marat won de machtsstrijd en 29 Girondijnen werden gedwongen om hun zetel in de Nationale Conventie op te geven.

In dit schilderij van Paul-Jacques-Aimé Baudry uit 1860 draait het niet om ‘martelaar’ Jean-Paul Marat, maar om de ‘heldin’ Charlotte Corday.

Martelaren

Charlotte Corday, de moordenares van Marat, was bang dat de Girondijnen allemaal onder de guillotine zouden belanden. Ze deed zich voor als een Jacobijnse die Marat wilde waarschuwen voor Girondijnse samenzweerders uit Caen. Marat, die vanwege een huidziekte in een bad zat in de vorm van een schoen, was een en al oor. Hij maakte een lijst van verraders op. Opeens trok Corday het keukenmes, dat ze de hele tijd bij zich had gehad, en stak Marat dood.

Corday beschouwde Marat als het ultieme kwaad. Ze meende dat ze met deze moord de levens van 100.000 mensen zou redden. Het was een kleine prijs dat ze voor haar moord wellicht zou worden geëxecuteerd. Ze zou dan sterven voor iets hogers. Vanzelfsprekend kreeg Charlotte Corday de doodstraf opgelegd en vier dagen na de moord viel haar hoofd in de mand.

Bizar detail: Een man in het publiek pakte het hoofd van Charlotte Corday op en gaf haar een klap tegen de wangen, die vervolgens rood aanliepen. Het publiek meende dat Corday op dat moment nog leefde en was woedend over deze brutaliteit. De boosdoener mocht zijn hoofd houden maar ging wel voor drie maanden de gevangenis in. De executie van Corday gaf voer aan de theorie dat mensen nog een paar ogenblikken leven, nadat hun hoofd is afgehakt. De beroemde existentialistische schrijver Albert Camus geloofde ook dat Corday na haar onthoofding voor even in leven was, voor hem een extra reden om zijn pamflet tegen de doodstraf, Réflexions sur la guillotine, te schrijven.

Met haar offer redde Charlotte Corday helaas geen levens, want de Jacobijnse leider Maximilien de Robespierre kreeg nu alle macht in handen. Hij liet de Girondijnen uit de weg ruimen, gematigde Jacobijnen en ultraradicale Jacobijnen. Iedereen die het met Robespierre oneens was was feitelijk een vijand van de revolutie. De moord op Marat was voor de Jacobijnen als Robespierre het bewijs dat de Franse revolutie werd bedreigd, wat de bloedige terreur tegen tegenstanders en vermeende tegenstanders van deze revolutie rechtvaardigde. In die zin lijkt Charlotte Corday op de communistische activist Marinus van der Lubbe, de tragische Nederlandse antiheld, die op 27 februari 1933 de Duitse Rijksdag in de brand stak. De Rijksdagbrand gaf Adolf Hitler immers het excuus om alle macht naar zich toe te trekken en politieke tegenstanders genadeloos te vervolgen. Net als Corday handelde Van der Lubbe alleen en belandde hij onder de guillotine.

Ten slotte, de moord op Marat is ook meerdere malen verfilmd, onder andere in de miniserie over de Franse Revolutie uit 1989, tweehonderd jaar na de revolutie, en in een film over Charlotte Corday.

 

Afbeeldingen: Wikipedia / Wikimedia Commons