De Franse Revolutie begon als emancipatie, maar eindigde in bloedige terreur. Waarom ontspoorde de moeder der revoluties zo gruwelijk?

Ongeloof en Revolutie

De Franse Revolutie heeft sinds mijn tienerjaren mijn intellectuele interesse. Dat komt vooral door Guillaume Groen van Prinsterer, de negentiende-eeuwse protestants-christelijke denker en politicus. Voor Groen van Prinsterer was het allemaal heel simpel. Revolutie was ongeloof, het breken met God en gebod. De terreur was volgens hem geen ontsporing, maar een noodzakelijk gevolg van de revolutionaire begrippen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Een ware christen was antirevolutionair en verdedigde de status quo.

Toen ik op de middelbare school zat, het vrijgemaakt-gereformeerde Greijdanus College in Zwolle, vond ik de antirevolutionaire visie van Groen bekrompen onzin. Als je revolutie zo principieel veroordeelde, betekende dit dan niet automatisch dat je onvrijheid en ongelijkheid eigenlijk altijd maar had te accepteren? Dat je alles maar moest slikken en niet mocht streven naar een betere wereld? Dat kon toch niet de bedoeling zijn? Nederland was toch een democratie, een politiek systeem waar mensen zelf de wetten maakten en de meerderheid besliste? Als je dat principieel afwees, dan had je toch alleen de dictatuur als alternatief?

De discussies hierover op de middelbare school leidden helemaal nergens toe. Ik stelde kritische vragen aan docenten, dat werd meestal niet gewaardeerd, want dit betekende ook dat je het algemeen, boven alle twijfel verheven gereformeerde geloof eigenlijk in twijfel trok. Mijn geschiedenisleraar zei dat een christen eigenlijk niet democratisch kon zijn, want dan moest je ook antichristelijke zaken als abortus, euthanasie en het homohuwelijk accepteren. Ik kwam er op de middelbare school achter dat het Gereformeerd Politiek Verbond, waar alle vrijgemaakt-gereformeerden op moesten stemmen (ook een zeer ondemocratische gedachte trouwens), geen vrijgemaakt CDA was, maar een SGP-light. Tevens besefte ik dat ik pas op de universiteit echt de intellectuele ruimte zou krijgen om kritische vragen te kunnen gaan stellen. Mede dankzij Groen van Prinsterer ben ik dus een heiden geworden.

We zijn nu meer dan vijftien jaar verder. Mijn geschiedenisstudie is afgerond, met de kerk heb ik gebroken en ik voel mij het meeste thuis bij het liberalisme, de ideologie die de vrijheid centraal stelt. Ik heb voor ongeloof en revolutie gekozen. En toch ben ik, de waarschuwingen van Groen ten spijt, niet van God los in de praktische zin van het woord, maar leid ik een semi-braaf burgermansbestaan. Alleen in mijn bovenkamer ben ik een revolutionair. Zijn verstandige, gematigde revolutionairen, zijn liberalen het bewijs van Groens ongelijk? Dat revoluties redelijk kunnen blijven? Of heeft de kampioen van de conservatieve protestantse christenen toch een punt?

 

De liberale revolutie

De bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 wordt traditioneel gezien als het startschot van de Franse Revolutie. Feitelijk begon de Franse Revolutie echter ruim drie week eerder, namelijk op 20 juni 1789, toen de vertegenwoordigers van Derde Stand (de burgerij) van de Staten-Generaal en hun sympathisanten bij de geestelijkheid en adel als Nationale Vergadering gezamenlijk een eed aflegden op de kaatsbaan. Koning Lodewijk XVI, die de drie standen bijeen had geroepen, voelde niets voor hervormingen en wilde geen grondwet invoeren die zijn macht beperkte. De eed op de kaatsbaan – de vertegenwoordigers verklaarden niet uiteen te gaan voordat er grondwet zou komen – was een revolutionaire daad. Men handelde buiten de koning om. De koning had er dan ook alle belang bij de Nationale Vergadering te ontbinden.

Op 14 juli werd de Bastille bestormd. De dagen daarvoor waren er in Parijs relletjes uitgebroken vanwege de hoge voedselprijzen. De gewone Parijzenaren trokken partij voor de Nationale Vergadering en waren bang dat de troepen van Lodewijk XVI hier met geweld een einde aan zouden maken, vandaar dat ze wapendepots plunderden om zich tegen de soldaten van de koning te kunnen verdedigen. In de ochtend van 14 juli werd het Hôtel des Invalides geplunderd. Hier lagen musketten en kanonnen opgeslagen, maar geen buskruit. De boze volksmenigte trok daarop naar de Bastille, de gevangenis voor politieke gevangenen, en eiste het kruit. Omdat de commandant van de Bastille zich weigerde over te geven werd het fort bestormd, waarbij vele doden vielen. Nadat de Bastille zich overgaf werd de commandant op beestachtige wijze gelyncht door de menigte. Zijn hoofd werd op een staak gezet, een voorbode van de vele moorden in naam van de revolutie die nog zouden komen.

De troepen van de koning in Parijs voelden er niets voor om de revolutie neer te slaan. Velen liepen over naar de tegenpartij of deserteerden. In de zomer van 1789 was Lodewijk XVI de controle over het land definitief kwijt. Zijn jongere broers en veel edellieden vluchtten naar het buitenland. Marie Antoinette, de koningin, vond dat de koning naar het oosten van het land moest vertrekken, om daar een nieuw leger te verzamelen met als doel de revolutie neer te slaan. De koning wilde echter blijven, een beslissing die voor hem en zijn eega fataal zou blijken.

Tussen 17 juli en 3 augustus vond op het Franse platteland la Grande Peur plaats. Landhuizen werden aangevallen en geplunderd, veel edellieden werden vermoord en vele anderen sloegen op de vlucht. Dankzij deze twee weken anarchie werd het feodalisme feitelijk afschaft. Op 4 augustus besloot de Nationale Vergadering dit te formaliseren en kwam er ook wettelijk een einde aan het feodalisme.

Op 26 augustus publiceerde de Nationale Vergadering de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger), misschien wel het liberale hoogtepunt van de Franse Revolutie. Burgers waren nu voor de wet gelijk en de vrijheid van meningsuiting, drukpers en godsdienst werden gewaarborgd. In 1791 kreeg Frankrijk een grondwet waarin dit allemaal nog een keer werd vastgelegd en werd het land een constitutionele monarchie.

Het leek erop dat de verstandige revolutionairen hadden gewonnen. Het reactionaire beleid van Lodewijk XVI, die vaak gebruik maakte van zijn vetorecht, deed de gematigde revolutie echter mislukken. Radicale revolutionairen namen de macht over en zouden zorgen voor een waar schrikbewind: de Terreur.

 

De Terreur

Lodewijk XVI probeerde in 1791 alsnog met zijn gezin naar het buitenland te vluchten, maar werd aangehouden bij Varennes en keerde terug naar Parijs. De koning was een gevangene in zijn eigen land geworden. In augustus-september 1792 kwam het tot een escalatie van de revolutie. Het Palais des Tuileries waar de koning resideerde werd bestormd, begin september werden honderden edellieden en geestelijken in de Parijse gevangenissen vermoord door boze burgers, en op 21 september werd de monarchie formeel afgeschaft. Dat de Franse Revolutie juist in deze maanden radicaliseerde kwam door het invallende Pruisische leger, dat Parijs bedreigde. De revolutionairen waren bang voor hun eigen hachje en een vijfde colonne die hen in de rug zou aanvallen, vandaar de bereidheid om tegenstanders van de revolutie uit de weg te ruimen. Nadat de Pruisen op 20 september bij Valmy werden verslagen was het directe gevaar geweken, maar de angst voor verraad bleef.

De septembermoorden waren voor veel revolutionairen niettemin een grote schok. Het Parijse volk had het recht in eigen hand genomen en de lynchpartijen waren onmenselijk wreed. De Nationale Vergadering, op 20 september omgedoopt in de Nationale Conventie, vond dat ook anders kon. Het doden van vijanden was misschien noodzakelijk, maar dat moest wel netjes gebeuren. De radicale revolutionair Maximilien Robespierre, aanvankelijk een tegenstander van de doodstraf, beschouwde de guillotine als dé oplossing voor dit complexe vraagstuk.

Lodewijk XVI, die met de keizer van Oostenrijk en anderen had gecorrespondeerd over het neerslaan van de Franse Revolutie, werd als Citoyen Capet voor hoogverraad ter dood veroordeeld en in januari 1793 een kopje kleiner gemaakt. Velen volgden. In april kwam het Comité de salut public (Comité van algemeen welzijn) aan de macht, geleid door Robespierre. Deze noodregering had buitengewone bevoegdheden en was in feite een dictatuur.

Enkele maanden later belandde de Franse Revolutie in een nieuwe stroomversnelling, na de dood van Jean-Paul Marat. Deze ‘vriend van het volk’ was in bad vermoord door de charmante Charlotte Corday, een mooie maagd met een messiascomplex die na haar daad natuurlijk de martelaarsdood stierf. De moord op Marat was voor Robespierre een excuus om zich van de gematigde Girondijnenpartij te ontdoen. Madame Roland, een belangrijke Girondijn, boog voordat ze werd onthoofd nog even voor het vrijheidsbeeld, en sprak toen de legendatische woorden uit:

O Liberté, que de crimes on commet en ton nom! (O Vrijheid, welke misdaden worden er gepleegd in uw naam!)

Na de Girondijnen volgden de atheïstische Hébertisten (genoemd naar hun leider Jacques Hébert) en daarna waren de gematigde Dantonisten (genoemd naar hun voorman Georges Danton) aan de beurt. De revolutie verslond haar eigen kinderen.

Het Comité de salut public besloot op 10 juni 1794 de bevoegdheden van het beruchte revolutionaire tribunaal, die de terdoodveroordelingen uitsprak, nog verder uit te breiden. Verdachten mochten zich niet langer verdedigen en in een proces waren er slechts twee mogelijke uitspraken: vrijspraak of de guillotine. Veel overgebleven leden van de Nationale Conventie maakten zich nu grote zorgen over hun eigen nek en wilden van Robespierre af.

Op 27 juli 1794 vond de zogenoemde Termidoriaanse Reactie plaats. Robespierre en zijn medestanders werden aan de kant gezet en belandden en dag later onder de guillotine. Er volgden daarna nieuwe verkiezingen en de nieuw gevormde regering, het Directoire, sloeg een gematigde richting in. De Franse Revolutie was hiermee feitelijk voorbij, hoewel generaal Napoleon Bonaparte er op 9 november 1799 formeel een einde aan maakte met zijn staatsgreep van 18 Brumaire.

 

De verbeelding aan de macht

De Chinese minister van buitenlandse zaken Zhou Enlai zei in 1972 tegen de Amerikaanse president Richard Nixon dat het nog te vroeg was om vast te stellen wat de gevolgen van de Franse Revolutie waren. Deze legendarische uitspraak bleek achteraf trouwens op een misverstand te berusten, Zhou Enlai dacht dat Nixon de Franse Revolutie van mei 1968 bedoelde, maar toch blijft het een uitspraak waar veel waars in zit. Niet alleen de Franse Revoluties van 1830, 1848, 1871 en 1968, maar ook de Russische Revolutie van 1917 en de Tunesische Revolutie van 2010 zijn door de Franse Revolutie (mede) geïnspireerd. De Franse Revolutie was een opstand van het volk tegen het wettige gezag, een strijd voor vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar ook een gebeurtenis waarbij het even leek dat alles mogelijk was: de verbeelding aan de macht (L’imagination au pouvoir, het motto van de studentenrevolte van mei 1968).

De Franse Revolutie maakte een einde aan de macht van de adel en de kerk, maar ook aan de macht van overgeleverde tradities. De christelijke jaartelling werd afgeschaft. De Franse Republikeinse Kalender begon opnieuw in het jaar nul. Net als het Koninkrijk van Jeruzalem van Jantje van Leiden bedachten de Franse revolutionairen allerlei nieuwe straatnamen, om zo met het verleden te breken. De oude wereld werd vernietigd, een nieuwe wereld werd door de verbeeldingskracht van de idealistische revolutionaire voorhoede geschapen. De Franse Revolutie zorgde voor een revolutionaire omkering van alles: het volk werd soeverein, de koning werd slechts een gewone burger. En in plaats van traditie moest de rede regeren.

Tijdens het hoogtepunt van de Terreur probeerden de radicale revolutionairen het christendom helemaal te vervangen door iets nieuws – Hébert door de atheïstische Cultus van de Rede, Robespierre door de deïstische  Cultus van het Opperwezen – maar uiteindelijk werd de antichristelijke omwenteling niet doorgezet en zou Frankrijk zich onder Napoleon weer met Rooms-katholieke Kerk verzoenen. Het intellectuele ideaal – het volk laat zich leiden door de rede – bleek te hoog gegrepen. De werkelijkheid – het leeuwendeel van de mensen is irrationeel en heeft een zekere vorm van godsdienst nodig als zingeving – bleek sterker.

Hoewel er zeker een verband bestaat tussen het radicaal willen afrekenen met de tradities uit het verleden en de Terreur, kunnen we het ontstaan van de Terreur hiermee nier voldoende verklaren. Daarvoor is meer nodig. Heel belangrijk is de revolutionaire massawaan, paranoia op grote schaal. In augustus-september 1792 waren veel revolutionairen doodsbenauwd dat hun revolutie zou worden verraden. Het Pruisische leger rukte op naar Parijs. Als de stad zou worden veroverd betekende dit bijltjesdag, of in het Franse geval guillotinedag, want de koning en vooral zijn naaste omgeving zouden wraak willen nemen op de revolutionairen die hen de afgelopen drie jaar zo hadden vernederd. De septembermoorden waren een preventieve actie.

De Terreur, de massamoord door de staat, was bedoeld om de eigenrichting door het volk te voorkomen en het geweldsmonopolie weer terug te geven aan de staat. Tegelijkertijd heerste de geest van paranoia nog steeds, want Robespierre was doodsbenauwd dat de abstracte en zuivere idealen van de Franse Revolutie – waar hijzelf natuurlijk de volmaakte belichaming van was – zouden worden verraden door mannen en vrouwen die minder principieel en standvastig waren. Het zuiverheidsfetisjisme en de paranoia van Robespierre en het feit dat er na een aantal executies/moorden geen weg meer terug was, verklaren de ontsporing van de Terreur.

De door Robespierre zo vurig verbeeldde zuivere en deugdzame republiek was natuurlijk een onhaalbare utopie. Een revolutie kan tradities proberen af te schaffen en hier voor een groot deel ook in slagen, maar de menselijke natuur kan niet worden veranderd. Een revolutie zorgt niet voor betere mensen, neemt de zonde in de wereld niet weg. Groen van Prinsterer, waar mijn verhaal mee begon, heeft echter ongelijk. Niet het breken met traditie en geloof zorgt ervoor dat een revolutie ontaardt in een orgie van geweld, maar het utopische geloof dat mensen zelf een volmaakte wereld kunnen scheppen. Ook een democratische wereld met mensenrechten is niet volmaakt. Wij blijven immers geneigd tot alle kwaad. Juist die mensen die menen dat we verlost kunnen worden zijn het allergevaarlijkst, want zij doen er alles aan om het ‘onvolmaakte’ te vernietigen.

De utopie van Robespierre, de volmaakte revolutie, werd ook tevergeefs nagestreefd door Lenin, Mao, Pol Pot en vele anderen. Hun wegen naar de hemel op aarde leidden een voor een naar de hel.