De Iers-Engelse politicus Edmund Burke (1729-1797) staat bekend als de vader van het conservatisme. Hoe werd het gedachtegoed van Burke eigenlijk ontvangen in Nederland? Bart Jan Spruyt schreef hierover een boeiend essay in de vorige maand verschenen bundel Burke.

 

Rob Hartmans, de meest onderschatte intellectueel van Nederland, schetst in zijn boek Vaarwel dan! Essays over intellectuelen en hun illusies een tweezijdig beeld van Edmund Burke. Aan de ene kant was hij een echte Whig-politicus, dus voor meer macht voor het parlement, voor home rule voor Ierland en tegen het absolutisme van vorsten; maar in zijn roemruchte pamflet Reflections on the revolution in France uit 1790 verliest Burke alle matigheid en trekt hij haast manisch van leer tegen de Franse Revolutie, die volgens Burke niet alleen een breuk is met geschiedenis en traditie maar ook met het christelijke geloof. Naar analogie van Wittgenstein: Burke 1 is een gematigde conservatieve liberaal, Burke 2 is een christelijke conservatief met reactionaire trekken. De vader van het conservatisme trok met zijn werk volgelingen van diverse pluimage aan.

In Spruyts essay, waarin hij helaas niet naar het schitterende artikel van Hartmans verwijst, zien we eenzelfde tweedeling terug. Burke werd in Nederland als eerste geclaimd door de antirevolutionairen, te beginnen bij Guillaume Groen van Prinsterer. Toen hij in Brussel werkte bekeerde Groen zich tot het christelijke gedachtegoed van het Réveil, een geestelijke opwekkingsbeweging die vooral populair was onder de conservatieve elites in Europa. Op aanraden van zijn predikant las Groen Reflections van Burke en was diep geraakt door het boek. De zeer christelijke Groen bekeek dit werk vanuit een christelijke bril, vandaar dat hij vooral uit de voeten kon met de religieuze analyses van Burke: de Franse Revolutie was volgens Burke ook een breuk met het christendom, Groen legde op dit geestelijke aspect de nadruk en kwam zo tot zijn ‘ongeloof en revolutie’-theorie. De vader van de antirevolutionaire richting in de Nederlandse politiek ging zelfs zo ver dat hij Burke met terugwerkende kracht ook tot zijn eigen ideologie rekende, maar daar waren de liberalen het niet mee eens.

Degene die stevige kritiek leverde op het Burke-beeld van Groen was de liberale historicus Robert Fruin. Volgens Fruin deed Groen Burke niet helemaal recht, omdat de vader van het conservatisme veel liberale trekken had: Burke was tegen het droit divin (goddelijk recht) van koningen, hij was voor politieke en maatschappelijke veranderingen mits die goed en ordelijk verliepen en zat bij de Whig-factie in het parlement, niet de Tories. Ofschoon Fruin gelijk had dat Groen van Prinsterer en de antirevolutionairen Edmund Burke te veel claimden bagatelliseerde hij in zijn analyse het religieaspect.

Groen van Prinsterer overleed in 1876. Hij werd opgevolgd als ‘leader’ van de antirevolutionairen door Abraham Kuyper, die van deze ideologische richting in de Nederlandse politiek een moderne politieke partij maakte, compleet met fractiediscipline. Kuyper las het werk van Burke ook, maar haalde hier alleen uit wat hem voor zijn eigen idealen van pas kwam. In tegenstelling tot Burke was Kuyper bovendien een groot voorstander van fractiediscipline. Parlementariërs zaten niet voor zichzelf in de Tweede Kamer maar voor een politiek programma dat ze moesten uitvoeren. Burke benadrukte in zijn beroemde Speech to the Electors at Bristol de onafhankelijkheid van parlementariërs: zij moesten zelf tot een oordeel komen en waren niet gebonden aan hun kiezers of een politiek programma.

Maar de tijden veranderden. In de twintigste eeuw was het gedachtegoed van Burke ‘uit’. Dit werd misschien wel het beste verwoord door W. H. Nolens (1860–1931), de leider van de rooms-katholieke fractie in de Tweede Kamer (1910-1931). Hij stelde dat hij ‘liever van diefstal of brandstichting beschuldigd wordt dan van het feit dat hij conservatief zou zijn.’

 

N.a.v.: Bart Jan Spruyt, ‘De ‘spirit of the gentleman’ versus de ‘spirit of religion’. Het debat over Edmund Burke in Nederland, 1791-1935′ in: Andreas Kinneging, Paul de Hert, Maarten Colette, Burke (Brussel, Academic & Scientific Publishers, april 2017) 300 pagina’s. ISBN 9789057186240. 29,95 euro.