Eind 2015 schreef Ewout Klei de tweedelige miniserie ´Zwarte bladzijden´. In dit vervolg deconstrueert hij de New York Times-bestseller Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates.

‘The fascists of the future will be called anti-fascists.’  Dit citaat, hoewel ten onrechte toegeschreven aan Winston Churchill, bevat veel waars. Niet zelden zijn mensen die hun mond zo vol hebben van tolerantie zelf verschrikkelijk intolerant. Wie afwijkt van het politiekcorrecte dogma is een islamofoob, een racist en een seksist. Nederlandse feministen waren na Keulen niet boos op de daders maar op GeenStijl-reporter Jan Roos, die namelijk had gezegd dat de daders van ‘onze’ vrouwen moesten afblijven. Dat mocht niet. Niet de aanranders waren schuldig maar – zoals altijd – de witte man.

Het in juli 2015 verschenen boek Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates is een aanklacht tegen het racisme van ‘wit’ Amerika. Het politiekcorrecte pamflet is door de linkse culturele elite van Amerika de hemel in geprezen en stond op nummer 1 van de New York Times-bestsellers. Dit is opmerkelijk, want ik heb zelden zo’n rancuneus en racistisch boek gelezen als deze jeukgevende jeremiade.

Als ik een boek lees probeer ik dat onbevooroordeeld te doen. Elke auteur krijgt bij mij – in den beginne – het voordeel van de twijfel. Als je namelijk niet openstelt voor wat de ander te vertellen heeft dan lees je alleen maar wat je wilt lezen, is je recensie alleen maar echo van wat je al vond en leren jij en de lezers van je recensie niets. Femke Halsema verraste mij met haar uitstekend geschreven politieke memoires, terwijl ik niet op haar partij GroenLinks zou stemmen. De boeken die ik de grond in schrijf zijn dan ook boeken die echt verschrikkelijk slecht zijn: ze zijn óf heel slecht geschreven óf staan vol goedkope quatsch, óf het is een combinatie van beide. Between the World and Me is én heel slecht geschreven én staat vol goedkope quatsch, het is misschien wel het slechtste boek dat ik in handen heb gehad. Waarom is dit pamflet zo slecht? En waarom doet dit schotschrift het desondanks zo goed?

Collectieve schuld

Between the World and Me heeft de vorm van een brief die de auteur, Ta-Nehisi Coates, aan zijn zoon schrijft. Deze vorm heeft Coates afgekeken van James Baldwin, die in 1963 twee essays aan zijn veertienjarige neef bundelde in het boek The Fire Next Time. In beide boeken staat het Amerikaanse rassenvraagstuk centraal. Volgens Coates is er ondanks de zogenaamde emancipatie en formele gelijkberechtiging van de zwarten niets veranderd. De Verenigde Staten zijn nog steeds door-en-door racistisch. De Amerikaanse droom is gebouwd op slavernij en racisme. Coates ziet racisme niet alleen bij laagopgeleide blanken uit de Deep South, maar eigenlijk zijn alle blanken met het racistische virus geïnfecteerd. Slechts een kleine minderheid heeft zich hiervan genezen.

Volgens Coates geloven racistische blanke Amerikanen – hij noemt geen cijfers maar uit alles blijkt dat het bij Coates gaat om de overgrote meerderheid van de blanken – in ‘de Droom’. Deze  droom is een blank Amerika, het Amerika van de middenklasse en de nette voorsteden. Blanke Amerikanen die in ‘de Droom’ geloven willen niet onder ogen zien dat hun land zijn welvaart te danken heeft aan de uitbuiting van de zwarten. Zij zijn bewust blind.

Coates haat de politie. De Amerikaanse politie, die volgens Coates niets anders is dan de gewapende tak van de blanke overheersing, heeft als doel om het zwarte lichaam te breken. Het politiegeweld tegen zwarten is structureel. Als er een ongewapende zwarte man wordt neergeschoten is dat niet de schuld van de individuele blanke politieagent, maar van de blanke samenleving in het algemeen. De blanken (die in ‘de Droom’ geloven) zijn collectief schuldig.

De aanklacht van Coates – die qua pedante pietpraat en narcistische navelstaarderij met 0% zelfreflectie erg doet denken aan het beruchte opiniestuk ‘Ik ben geen Nederlander’ van Nadia Ezzeroili – is 152 pagina’s. 152 f*cking pagina’s. 152! De lezer lijdt. 152 bladzijden lang. Hoewel Coates zichzelf natuurlijk als een enorm getalenteerde schrijver beschouwt kreeg ik hierdoor opeens meer begrip voor de zwarte slaven op de katoenplantages. Zij moesten zich er ook doorheen worstelen,  elke keer weer, en waren overgeleverd aan het grillige racisme van de ander die meende alles beter te weten. Die wist wat goed was. Coates heeft mij dus bewuster gemaakt, maar niet op de manier zoals hij dat wellicht heeft bedoeld.

Onmenselijk

Het is ook maar zeer de vraag of Coates blanken wel ziet als mensen. De mensen van vlees en bloed die Coates in zijn boek opvoert en bij naam en toenaam noemt zijn allemaal zwart. De blanken – ook de ‘goede’ hoogopgeleide linkse blanken die zijn verhalen lazen – hebben geen naam. Ze zijn een collectief. Ze zijn de ‘ander’. Voor blanke slachtoffers voelt Coates dan ook geen greintje empathie. Zoals Quinsy Gario ijskoud reageerde op de slachtoffers van de MH17 en de extreemlinkse activiste Arzu Aslan boos werd op degenen die meeleefden met de slachtoffers van de terroristische aanslagen in Brussel, zo reageerde Coates ijskoud op de slachtoffers van 9/11. Coates haat blanken. Het is pure haat, puur racisme, wat hem en vele andere zelfbenoemde antiracisten drijft:

‘We arrived two months before September 11, 2001. I suppose everyone who was in New York that day has a story. Here is mine: That evening, I stood on the roof of an apartment building with your mother, your aunt Chana, and her boyfriend, Jamal. So we were there on the roof, talking and taking in the sight – great plumes of smoke covered Manhattan Island. Everyone knew someone who knew someone who was missing. But looking out upon the ruins of America, my heart was cold. I had disasters all my own. The officer who killed Prince Jones, like all the officers who regard us so warily, was the sword of the American citizen pure. I was out of sync with the city. I kept thinking about how southern Manhattan had always been Ground Zero for us. They auctioned our bodies down there, in that same devastated, and rightly named, financial district. And there was once a burial ground for the auctioned there. They built a department store over part of it and then tried to erect a government building over another part. Only a community of right-thinking black people stopped them. I had not formed any of this into a coherent theory. But I did know that Bin Laden was not the first man to bring terror to that section of the city. I never forgot that. Neither should you. In the days after, I watched the ridiculous pageantry of flags, the machismo of firemen, the overwrought slogans. Damn it all. Prince Jones was dead. And hell upon those who tell us to be twice as good and shoot us no matter. Hell for ancestral fear that put black parents under terror. And hell upon those who shatter the holy vessel. I could see no difference between the officer who killed Prince Jones and the police who died, or the firefighters who died. They were not human to me.’

Prince Jones was een goede vriend van Coates die was neergeschoten door een blanke politieagent. Jones was onschuldig en ongewapend. Coates vergelijkt de dappere brandweermannen, die met gevaar voor eigen leven probeerden mensenlevens te redden, ongetwijfeld ook zwarte mensenlevens, met een racistische politieagent. Hoewel de woede van Coates over de moord op Prince Jones uiteraard terecht is slaat hij hierin – eufemistisch gezegd – door. Coates is vervuld van haat. Wordt verteerd door haat. Hij haat de blanken zo erg dat hij totaal gevoelloos is voor de slachtoffers van 9/11, maar ook de zwarte slachtoffers van 9/11 beschouwt als ‘collateral damage’. Principieel verschilt Coaltes dus niet van islamitische terroristen, die het maken van moslimslachtoffers tijdens een aanslag op een westers of joods doel ook als collateral damage beschouwen. Het doel – of dat nu haat tegen het westen, tegen de blanken of tegen de joden is – heiligt volgens fanatici immers alle middelen.

Haat en zelfhaat

Hoewel de term ‘zelfhaat’ mijns inziens iets te vaak wordt gebruikt denk ik dat dit begrip helaas wel de sleutel vormt om het succes van het politiekcorrecte pamflet van Coates te verklaren. Zelfhaat is in. Zelfhaat is hip. In Nederland krijgen klagende, matig getalenteerde media’allochtonen’ overal een podium omdat ze het schuldgevoel van de linkse culturele elite beroeren. Coates doet dat voor ‘liberal’ (lees: progressief) Amerika. In gelijke rechten zijn de ‘allochtone’ handelaars in rassentegenstellingen niet geïnteresseerd. Het gaat ze om herstelbetalingen. Het gaat ze om haat.

In een moderne weerbare democratie is ideologische haat een marginaal verschijnsel. In Groot-Brittannië werden linkse gekkies vroeger niet voor niets de Loony Left genoemd. Maar de Loony Left begint in onze postmoderne kwetsbare democratie steeds meer mainstream te worden. Racisme mag weer, mits het antiwesters (lees: antiblank) en antizionistisch (lees: antisemitisch) is. Het probleem zijn niet zwarte hatertjes als Ta-Nehisi Coates, Arzu Aslan en Quinsy Gario, maar de zelfhaters van regressief links. Zij hebben ervoor gezorgd dat de racisten van de toekomst antiracisten genoemd zullen worden.

PS

Het zal u vast niet verbazen, maar Coates steunt uiteraard Bernie Sanders in diens poging president van Amerika te worden.