Ik ken Mo van een verhaal dat ik ooit over een mbo-school in Amsterdam maakte, waar hij als vakdocent werkte. Mo is van Turkse afkomst en groeide op in een achterstandswijk in Hoorn. Toen ik hem leerde kennen, woonde hij al enige tijd in Amsterdam, waar hij feitelijk was ondergedoken. Pas later, toen ik hem uitgebreider sprak, kwam ik erachter wat voor een verschrikkingen hij had meegemaakt.

Van de zes mbo-leerlingen die ik toen sprak, allemaal van allochtone afkomst, waren er vier die ook slachtoffer waren geworden van zeer ernstige delicten. Allemaal hadden ze ernstig geweld ervaren. Eén Turks meisje dat bij een Blokker in Nieuw-West werkte, had zelfs drie gewapende overvallen meegemaakt. Eén jongen van Nepalese afkomst was twee jaar lang belaagd, afgeperst, met de dood bedreigd en zelfs gemarteld door een Marokkaanse criminele groep, eveneens uit Nieuw-West (Geuzenveld). Het hoeft geen betoog dat er in geen van die zaken ooit een dader was gevat, laat staan dat er daders waren gestraft.

Mo zelf was en is rustig, zachtaardig en idealistisch. Een lieve jongen van dertig. Een voorbeeldige jongeman, die zich het schompes werkte en keihard had gestudeerd. Hij werd door zijn leerlingen op handen gedragen. Zoals veel slimme en ambitieuze allochtone jongens was hij een opleidingenstapelaar, legde hij een lange weg af via achtereenvolgens de mavo, havo, pabo en een universitaire opleiding orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. Naast zijn universitaire studie, werkte hij als mbo-docent. In de weekenden was hij bovendien jarenlang parttime manager van een supermarkt in Hoorn. Toen Mo afstudeerde had hij er bij elkaar zo’n veertien, vijftien jaar studie opzitten. Dus ausdauer had hij wel.

Het dikkerdje

Maar Mo was als puber veel te dik, woog zo rond zijn vijftiende al 105 kilo en werd heel zijn jeugd met zijn overgewicht gepest. ‘Ik was het domme Turkse dikkerdje, had een taalachterstand en bepaald geen leuk leven.’ Op zijn zestiende, werd hij heimelijk verliefd op een meisje in de vierde klas van de havo en besloot hij daar radicaal verandering in te brengen, om indruk op haar te kunnen maken. Hij legde zichzelf een meedogenloos hardloopschema op en verloor binnen acht maanden dertig kilo.

Twee jaar daarna besloot hij, net als zijn oudere broer Mehmet, te gaan boksen bij een Turkse trainer in zijn wijk. Die was diep onder de indruk. Mo had talent. Hij ging vervolgens bij een Nederlandse bokstrainer trainen. Elke dag vroeg naar bed, om zes uur op voor de eerste training. Kracht en conditie opbouwen. Hij bokste in de half zwaargewichtklasse, won al snel een reeks regionale kampioenschappen en werd binnen drie jaar Nederlands kampioen en verdedigde zijn titel in de twee daaropvolgende jaren, twee maal met succes.

‘Toen was deze dikke Turk, die altijd werd gepest, veranderd in een Brad Pitt in de film Troy,’

vertelde Mo. Hij was een typische knock out-bokser, hard in de ring, maar ook in de bokswereld een buitenbeentje. ‘Iedere bokser heeft angst. Daar moet je doorheen. Maar ik was ook een hele lieve jongen, niet arrogant, altijd hoffelijk en intelligent. Ik had geen grote bek en liep nooit op te scheppen, zoals veel andere vechters. Dat maakte mij natuurlijk al uitzonderlijk in die bokswereld. De meeste boksers zijn laag opgeleid. De sport is alles voor ze. Maar ik was van vmbo-basis naar een hbo-opleiding gegaan. Mijn hbo-opleiding afmaken en naar de universiteit gaan, was voor mij veel belangrijker dan nationaal kampioen worden, snap je? Ik ben een zoon van een gastarbeider die zich in ploegendiensten kapot werkte. “Maak je school af,” zei mijn vader altijd. “Wat ga je na het boksen doen? Weer in een supermarkt werken?”‘

Het noodlot

Op zijn 25ste, na zeven jaar trainen, had hij een groot toernooi gewonnen en stond hij op het punt om echt door te breken. Hij kon flink geld gaan verdienen met boksen als semi-prof.

‘Ik viel op. Mo dat lieve Turkse jongetje, dat dikkerdje was drie maal nationaal kampioen boksen. Mo het dikkerdje studeerde aan de universiteit en kon veel meisjes krijgen. De  kranten schreven over mij.’

Een maand later sloeg het noodlot op een verschrikkelijk manier toe.

Het begon met een ordinaire ruzie tussen broer Mehmet en een Antilliaanse jongen, die samen met zijn vier Antilliaanse broers deel uitmaakte van een beruchte groep Hoornse spitsbroeders. De aanleiding was gekwetste trots en hanengedrag.

Eerder hadden de Antilliaanse broers al de broer van een vriend van Mo mishandeld. Bij deze jongen, een blanke gymleraar in een welvarende wijk, waren de Antillianen gewoon zijn huis met knuppels binnengestormd om verhaal te halen. ‘Zijn moeder en dochter werden bedreigd. Zijn oudste broer sprong ervoor en werd total loss geknuppeld. Hij werd buiten verder in elkaar gerost en voor dood achter gelaten. Eén Antilliaanse broer is toen veroordeeld tot tachtig uur taakstraf.’

Eén van die vier Antilliaanse broers had volgens Mo, jaren daarvoor ook al een meisje van zestien bruut verkracht. ‘Dat meisje kwam na de aanslag op mij, naar me toe tijdens een technofeest in de Westergasfabriek. Met tranen in haar ogen vertelde ze wat die schoft had geflikt en dat haar leven kapot was gemaakt. Haar vrienden stonden er allemaal bij te janken. Iedereen kent deze jongens in Hoorn. Hij is veroordeeld, maar heeft toen slechts twee maanden gezeten.’

De hel brak los

Terug naar het verhaal van Mehmet en Mo. Na de eerste ruzie was Mehmet nog een keer één van de Antilliaanse broers tegengekomen. ‘Er ontstond weer een ruzie en mijn broer werd toen aangevlogen. De boel werd gesust. Mehmet stelde voor om het uit te praten, ook al was hij zelf toen al een hele goede bokser. Hij heeft vervolgens een afspraak gemaakt voor de volgende dag bij een coffeeshop in de binnenstad van Hoorn.’

Mehmet had Mo meegevraagd om te bemiddelen. Ze zaten tegen de muur van de coffeeshop op straat te wachten, toen de auto met de vier Antilliaanse broers en nog twee anderen kwam aanrijden. ‘Ze stapten uit en begonnen meteen te schreeuwen: “Wat moeten jullie nou?” Toen brak de hel los. Eén van de broers trok een pistool en begon te schieten. Mijn hart stond stil. Ik werd door zes kogels getroffen en mijn broer door twaalf. Er was maar één schutter. Terwijl wij halfdood op de straat lagen, zijn de andere vijf ons met honkbalknuppels te lijf gegaan en werden wij verschrikkelijk geschopt en geslagen. Daarnaast ben ik ook nog eens in mijn been gestoken met een mes. Bloedsporen met mijn DNA zijn later op die jongen gevonden, aan zijn handen. Maar hij is maar tot een paar maanden veroordeeld. Ze hebben ons als varkens proberen af te slachten. Maar de stafrechter vond dat er geen verband gelegd kon worden tussen de schutter en de andere daders. Ook al waren er heel veel getuigen van de aanslag. Zo werkt ons recht.’

Straf

Een jaar later was de strafzaak in de rechtbank van Alkmaar. De schutter kreeg tien jaar gevangenisstraf opgelegd. Daarvan wordt in de praktijk altijd maar tweederde uitgezeten, vanwege de wettelijk verplichte voorwaardelijke invrijheidstelling.

De rechtbank achtte echter niet bewezen, dat er een gezamenlijk plan was van de alle  daders om de Turkse broers neer te schieten. Dus de andere daders kregen veel lichtere straffen.

Twee broers moesten elf maanden de cel in en kregen daarnaast zeven maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Ze werden veroordeeld voor poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en openlijke geweldpleging op de slachtoffers nadat zij waren neergeschoten. Eén andere verdachte werd veroordeeld tot een halfjaar cel voor de zware mishandeling nadat de Turkse broers waren neergeschoten. Eén van de broers, kreeg acht maanden cel, waarvan twee voorwaardelijk. De rechtbank accepteerde zijn verweer dat hij dacht dat juist hij en zijn broers werden beschoten en dat hij daarom meende zichzelf en zijn broers te moeten beschermen. De zevende verdachte kreeg een maand cel.

Vier verdachten die de schutter hielpen ontkomen en hem onderdak gaven, werden veroordeeld tot werkstraffen van respectievelijk 120 uur en 40 uur.

De gevolgen

Het was een wonder dat de broers de aanslag overleefd hadden, maar de gevolgen waren heel ernstig. Mehmet, een oersterke beer van een vent, was door twaalf kogels geveld,  raakte verlamd en zal de rest van zijn leven in een rolstoel moeten doorbrengen.

Mo kreeg vijf kogels in zijn onderlichaam, één in zijn arm en lag zeven weken in het ziekenhuis. Hij had bovendien een ernstige steekwond in zijn linkerbeen opgelopen en ontwikkelde een zware infectie. Een amputatie dreigde. De pezen en zenuwen van zijn linkervoet waren doorgesneden. Zijn voet hing er ‘als een slappe bij’. ‘Ik kreeg te horen dat ik nooit meer kon lopen, alleen nog met hulpmiddelen. Sporten zou ik sowieso nooit meer kunnen. Ik dacht: “Het boksen is gewoon afgelopen. Misschien nog een beetje voor de lol als de manke die ook een tik geeft. Mijn profcarrière was duidelijk naar de klote. Ik heb heel veel geld gemist. Echt tonnen! Ik was net aan het doorbreken.’

Maar Mo ging in het ziekenhuis al weer zijn spieren trainen en vervolgens als een gek revalideren. Twee jaar later stond hij reeds in een boksgala in Carré. ‘Waarom? Ik was gewoon gek! “Wat doe jij hier?” vroegen ze mij. Ik wilde me bewijzen, zelfs met die manke poot. Ik dacht: Als ik knock out ga, is het afgelopen, maar de wedstrijd werd door mijn tegenstander net op punten gewonnen. Dat ik daar weer stond, was mijn overwinning. Ik heb daarna nog tien maal een wedstrijd gebokst en train nog steeds drie maal per week. De volledige revalidatie heeft toch wel een jaar of vier, vijf geduurd. Maar boksen is mijn trouwe vriend, een soort vaderfiguur. Ik train nu ook jongeren. Het gaat mij ook vooral om mijn sportfilosofie: Train hard, heb discipline, ga vroeg naar bed, ga niet naast je schoenen gaan lopen en ga niet afgeven op anderen. Ik ben een leraar. Sporten is een levensstijl. Het is een basisbehoefte als eten en drinken.’

Woedend

Mo was na de aanslag niet wraakzuchtig. Maar hij was wel woedend over het feit dat zijn broer voor de rest van zijn leven in een rolstoel zat, hij zelf blijvend gehandicapt was en dat  zijn profloopbaan als bokser hem definitief was ontnomen, terwijl vijf van de zes daders van de aanslag binnen een jaar al weer op vrije voeten waren. Sommigen zelfs al eerder. Hij was ook woedend omdat hij vanwege die ultrakorte straffen, zich gedwongen voelde om naar Amsterdam te verhuizen en min of meer onder te duiken.

‘Ik heb hier een urgentieverklaring gekregen, omdat die jongens daar weer vrijgelaten waren. Natuurlijk ben ik daarom weggegaan man. Zo gaat dat in Nederland man! Het was een lynchpartij. Ze hebben geprobeerd ons af te maken en lopen gewoon weer vrij rond. Als ik die lullo’s daar gewoon in mijn buurt zie rondlopen …. sorry, maar dat kan niet. Dan vlieg ik binnen de kortste keren één van die jongens aan. Hier kan ik anoniem blijven. Ik zit nu in een rustige buurt. Ik zoek het gevaar niet op. In Hoorn zie ik de wolven lopen, weet je? Die stad zit vol criminelen. De één is cokedealer, de ander een wiettteler of zit in de vrouwenhandel. Ik weet te veel. Maar eigenlijk weet Iedereen dat. De politie weet dat ook, maar doet niets. Hoorn is gewoon een chaos, een bende. Klaar. Al mijn vrienden verhuizen naar Amsterdam. Alleen de domme mensen blijven achter. Ik wil echt niet dat mijn kinderen daar opgroeien.’

Met Mo gaat het weer goed. Hij heeft nu een eigen sportschool. Mo zet zich vooral in voor amateurboksers en organiseert benefietgala’s voor goede doelen. Daarnaast is hij nog steeds werkzaam als docent in het Amsterdamse onderwijs.