Wat wordt de belangrijkste taak voor de nieuwe minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)?

 

Dat is mijns inziens het terugbrengen van het beroep op een uitkering onder degenen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Met tussen de 1,5 en 2 miljoen mensen die voor hun levensonderhoud geheel of gedeeltelijk een beroep doen op een uitkering en een totale beroepsbevolking van 9 miljoen is het aantal uitkeringen veel te hoog. Achtereenvolgende ministers van SZW hebben geprobeerd het financiële beslag van uitkeringsregelingen binnen de perken te houden, waarbij de aantallen veelal een afgeleide waren. Wel bleek een miljoen arbeidsongeschikten 25 jaar geleden tijdens Lubbers III een brug te ver.

Grofweg valt de uitkeringspopulatie onder te verdelen in drie categorieën: WW, bijstand en arbeidsongeschiktheidsregelingen. De WW loopt snel terug nu de conjunctuur aantrekt en vormt daardoor niet het grootste probleem. Wel is het zorgelijk dat organisaties van werkgevers en werknemers een verlengde WW hebben afgesproken voor oudere werknemers; drie jaar i.p.v. maximaal twee jaar. Dat klinkt heel “sociaal”, maar zoals de Britse arbeidseconoom Stephen Nickell ooit opmerkte is het effect daarvan vooral dat “long term benefits create long term benefit claimants”. De WW is vooral een verzekering die de overgang van de ene naar de baan financieel faciliteert. Na een jaar in de WW stromen mensen veel minder snel uit naar werk.

De arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn eind vorige en begin deze eeuw stevig hervormd. Met het ontzien van bestaande uitkeringsclaims is er een ondoorzichtig en ingewikkeld stelsel ontstaan van verschillende regelingen naast elkaar. Het is vooral de werkgever die wordt aangesproken op ziekte en arbeidsongeschiktheid. Hij mag de eerste twee jaar bij ziekte het loon voor 170 procent doorbetalen en krijgt daarna een gedifferentieerde werkgeverspremie om de oren. Vooral voor kleine werkgevers kan de rekening aardig oplopen als één of meerdere werknemers arbeidsongeschikt raken. Veel mensen denken eenmaal arbeidsongeschikt, altijd arbeidsongeschikt. De in- en uitstroom is echter substantieel en het aantal arbeidsongeschikten dat echt nooit meer aan de slag komt relatief klein. Hoewel sterk verminderd, zijn ook na de hervormingen nog steeds relatief kleine risico’s nog steeds gedekt. Dit leidt tot veel gedeeltelijke uitkeringen. Wat veel mensen ook niet weten, is dat een aanzienlijk deel van de populatie naast een uitkering een baan heeft. Dit illustreert dat het inkomensaspect voorop staat en niet het wel of niet hebben van werk waarmee in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien. Het leidt tot een blijvend hoog aantal uitkeringen.

De bijstand is qua populatie de afgelopen jaren stevig opgelopen. De grote toestroom van vluchtelingen die een status kregen, is daar een belangrijke oorzaak van. Conjunctuurbewegingen werken minder sterk door in de omvang van de bijstand, maar de matige economische omstandigheden hebben hun uitwerking niet gemist. Los van deze beide factoren bevat de bijstand een hardnekkige populatie die al lang niet meer werkt of zelfs nooit heeft gewerkt. De uitvoering van de bijstand is in handen van gemeenten. Met name in de grote steden staat toeleiding naar werk lang niet altijd voorop en ligt de nadruk te sterk op het voorzien in zoveel mogelijk inkomen. Ook worden mensen “klaar gemaakt” voor de arbeidsmarkt via nutteloze re-integratietrajecten, terwijl juist zo snel mogelijk iemand onder brengen bij een reguliere werkgever veel effectiever is. Een werkgever voelt de tucht van de markt en weet het beste welke kennis en vaardigheden iemand nodig heeft voor een baan waar vraag naar is. Het kan niemand zijn ontgaan dat veel werkgevers inmiddels weer zitten te springen om personeel, dus dat biedt kansen.

Waar vroeger nog een negatief stigma rustte op het ontvangen van een uitkering, zijn nu veel mensen doorgeslagen naar de andere kant. Hoe pervers het denken is over het ontvangen van een uitkering blijkt uit het crowdfunding initiatief van MIES in Groningen. Dit wil elk jaar iemand maandelijks een bedrag verstrekken van 1000 euro, zonder enige tegenprestatie daarvoor te vragen. Nu het derde jaar voor de deur staat, lijken er niet voldoende middelen beschikbaar te komen, zoals Ewout Klei eerder deze week al schreef. Het kan wel iemands hoogste ideaal zijn om een jaartje niks te hoeven doen of alleen waar hij zelf zin in heeft, het is natuurlijk een stuk minder idealistisch om dit door een ander te laten betalen. De oplossing die MIES voor dit laatste heeft nu de financiering via crowdfunding dreigt op te drogen, is even eenvoudig als voor de hand liggend: De overheid moet opdraaien voor de kosten. Het gekke is dat niemand dit vindt als iemand een jaartje in een Maserati wil rijden. Dat er geen geld meer komt, betekent dat het ‘experiment’ is mislukt en dat de stekker eruit kan. Gewoon stoppen en niet meer zeuren. Leven op de zak van een ander leidt er vroeg of laat onherroepelijk toe dat die ander er de brui aan geeft.

De contradictie in dit verhaal is dat mensen onafhankelijk willen zijn, maar het ontbreekt hen daartoe aan middelen. De mouwen opstropen en aan de slag is niet de gewenste route, want duurt te lang en met onzeker resultaat. Dit terwijl ieder mens uniek is met velerlei gaven die zo moeizaam tot ontplooiing komen in een bestaan als loonslaaf. Wel de lusten en niet de lasten en dergelijk soort oplichterij wordt vervolgens serieus als overheidsbeleid gepropageerd, alsof die geen belasting moet heffen om aan geld te komen.

Hoe nu het uitkeringsgebruik terug te brengen, afgezien van de broodnodige mentaliteitsverandering? Het aanpassen van de regelingen alleen zal niet het gewenste resultaat opleveren, ook al kan dat wenselijk zijn. Ook het op een goede manier uitvoeren van met name de bijstand door gemeenten kan een flinke reductie bewerkstelligen. Een competente minister maakt daarover afspraken. Het verbeteren van de financiële randvoorwaarden voor werk(aanvaarding) is echter het belangrijkst. Eerder schreef ik over armoede- en productiviteitsval. Het verschil tussen inkomen uit werk en de hoogte van een uitkering moet groter, want is nu vaak nihil. Ook het jaarlijks verhogen van het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen met de gemiddelde contractloonstijging zorgt ervoor dat teveel mensen, die dit productiviteitsniveau niet kunnen waarmaken, aan de kant blijven.

Eén centrale doelstelling voor een gecompliceerd beleidsterrein maakt dat middelen en aandacht niet versnipperd worden. De voorgaande alinea vat het in een notendop samen. We moeten niet te hoge verwachtingen hebben over wat overheidsingrijpen vermag, maar dit moet te doen zijn.