De lonen stijgen weer in Nederland en het tempo neemt toe. Het is een logische ontwikkeling, die het gevolg is van een krapper wordende arbeidsmarkt.

 

Onbegrijpelijk pleidooi

De afgelopen jaren klonk vanuit Zuid-Europa vaak dat in Noord-Europa de consumptie achterbleef. Dit in reactie op kritiek over de staat van de overheidsfinanciën aldaar. Ook de Europese Centrale Bank (ECB) was gevoelig voor dit argument, want deze begon aan te dringen op hogere uitgaven door consument en overheid in landen als Duitsland en Nederland. Zelfs De Nederlandsche Bank (DNB) voegde zich in dit koor, door erop te wijzen dat de consumptie best via een flinke loonstijging kon worden gestimuleerd. De critici zien echter een simpel economisch feit over het hoofd en vergeten het bestaan van een elementaire institutie.

Allereerst het economische feit dat de werkloosheid met meer dan een half miljoen mensen zonder werk nou niet bepaald laag was in ons land. Laat staan als je kijkt naar de bredere inactiviteit die bestaat uit tussen de 1,5 en 2 miljoen mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een uitkering. De lonen verhogen in een dergelijk arbeidsmarktklimaat is vragen om problemen.

Het pleidooi voor loonstijging is des te meer onbegrijpelijk als men zich de consequenties hiervan realiseert. Het wettelijk minimumloon (WML) en de uitkeringen in ons land stijgen mee met het gemiddelde van de contractloonontwikkeling. In het laagbetaalde segment van de arbeidsmarkt is geen sprake van krapte en de vraag naar arbeid is er extra gevoelig voor de prijs van arbeid.

De mensen die pleitten voor hogere lonen waren dezelfde die in het recente verleden waarschuwden voor deflatie. Hogere lonen zouden een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen hiervan. Los daarvan moest de ECB volgens hen sowieso de inflatie aanjagen. Hoewel voor iedereen toen al duidelijk kon zijn dat de lage inflatie met name werd veroorzaakt door dalende energieprijzen en er verder weinig aan de hand was, hielden zij pleidooien om zwaar monetair geschut van stal te halen en de overheidsuitgaven flink te verhogen. Nu doet zich wat de energieprijzen betreft het omgekeerde voor en is plots iedereen muisstil.

 

Keynesiaanse kijk

De pleidooien voor ingrepen komen voort uit een keynesiaanse kijk op de economie, waarin de overheid of de centrale bank voortdurend moet ingrijpen om de economie op de goede koers te houden. Het betreft een enorme onderschatting van het zelfregulerend vermogen van de economie. Zoals ook nu de arbeidsmarkt weer bewijst, zijn er bepaalde economische ontwikkelingen die stabiliserend werken.

De visie dat de overheid voortdurend de economie moet stabiliseren heeft in het verleden desastreuze gevolgen gehad. Zo vatte begin jaren zeventig de gedachte post dat de krapte op de arbeidsmarkt moest worden tegengegaan door de import van arbeidskrachten uit landen rond de Middellandse Zee. Die gedachte is daarna eigenlijk nooit ver weggeweest en kan ook in het huidige migratiedebat nog regelmatig worden gehoord. Niet zo zeer in kringen van economen die inmiddels beter weten, maar andere wetenschappers, die graag op de stoel van economen mogen gaan zitten om deze te verketteren, geloven er nog heilig in. Varianten hierop waren de pleidooien om vervroegde uittreding en arbeidstijdverkorting te bevorderen. Wat al deze voorstellen met elkaar gemeen hebben is dat ze via aanpassing van het arbeidsvolume de toestand op de arbeidsmarkt willen beïnvloeden en liefst reguleren. Zonder zich de consequenties voldoende te realiseren, met name dat de gevolgen van deze voorstellen vaak moeilijk zijn terug te draaien. Die arbeidsmigranten vertrokken dus niet toen de krapte op de arbeidsmarkt omsloeg in enorme overschotten. Mensen die met vervroegd pensioen gingen of arbeidsongeschikt werden, keerden ook niet terug toen de krapte dat wel deed. Volume-aanpassingen op de arbeidsmarkt zijn dus geen goed idee. Dat geldt in zekere zin ook voor het steeds verder verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd, alhoewel de gevolgen hiervan economisch minder ernstig zijn. Wel legt deze maatregel de kosten van de vergrijzing eenzijdig bij de mensen die in staat zijn langer door te werken. Zolang ze er plezier in hebben is daar niets mis mee, maar dat verandert als mensen massaal voortijdig afhaken. De cultuuromslag die zich heeft voltrokken in Nederland ten aanzien van langer doorwerken is niettemin fenomenaal. Zelf was ik van dichtbij betrokken bij de onderhandelingen rond het uitfaseren van vervroegde uitkeringsregelingen. Dat was ruim 12 jaar geleden, toen de meeste mensen rond hun zestigste stopten met werken (in de jaren daarvoor vaak nog eerder). Inmiddels ligt dat rond de 65 jaar.

 

WML-niveau

Voeg ik me nu bij degenen die pleiten voor prijsaanpassingen (dus loonstijgingen) op de arbeidsmarkt? Niet helemaal. Een groot deel van de arbeidsmarkt functioneert prima en loonaanpassingen daar weerspiegelen schaarsteverhoudingen. Dat geldt echter niet voor het segment op en boven het WML. De overheid heeft hier een kunstmatige begrenzing aangebracht en verhoogt die elk jaar met de gemiddelde contractloonstijging. Niet uit economische overweging maar omwille van inkomenspolitieke, zodat “iedereen” deelt in de welvaartstoename: Niet alleen degene die werkt op of rond WML-niveau maar ook degene die niet werkt, want de sociale uitkeringen stijgen even hard mee. Dat nu is economisch gezien een vergissing. Het veroordeelt mensen met een lage verdiencapaciteit tot werkloosheid. Bij een lager minimumloon hadden zij prima in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Economisch desastreuzer is nog dat de geringe afstand tussen uitkering en minimumloon de financiële prikkel om laagbetaald werk te aanvaarden zodanig vermindert, dat alleen mensen zonder uitkeringsalternatief werkzaam zijn in banen op of vlak boven het WML. Ik heb het dan met name over jongeren en migranten, b.v. uit Oost-Europa. Intussen zit een groot potentieel aan mensen dat zou kunnen werken gewoon thuis. En ook voor hen geldt dat hoe langer ze eruit zijn, hoe geringer de kans is dat ze zullen terugkeren.

Verder is de koppeling van WML en uitkeringen aan de gemiddelde contractloontoename inkomenspolitiek gezien een nogal inefficiënte maatregel. Wie deze mensen een extraatje wil geven kan hiervoor veel beter het reguliere overheidsinstrumentarium gebruiken en hen tegemoet komen in b.v. de fiscale sfeer. Het maakt maar weer eens duidelijk dat wie mensen gelijk wil behandelen, in dit geval met een identieke toename in beloning, daarvoor een prijs betaalt in de vorm van werkloosheid en inactiviteit en hoge collectieve lasten. Loonstijgingen trekken ons ook verder het pensioenmoeras in en moeten ook om die reden met terughoudendheid worden bekeken. De uitspraken namens DNB duiden dan ook op een zekere mate van beleidsmatige schizofrenie. De door de bank gewenste loonstijgingen kunnen door de pensioenfondsen niet worden bijgebeend en dat zou DNB als toezichthouder op de pensioensector toch moeten weten.

Er is dus ook bezien vanuit de instituties van de arbeidsmarkt reden genoeg waarom prijsaanpassingen in de huidige omstandigheden geen goed idee zijn, zelfs niet als ze “spontaan” als gevolg van krapte tot stand komen. Met name in het onderste segment van de arbeidsmarkt is die krapte tijdens een hoogconjunctuur nogal kunstmatig. Er zijn wel meer potentiële arbeidskrachten, maar die vertikken het om tegen het geldende loon te gaan werken. Ook al zou dat flink verhoogd worden, dan zouden ze nog steeds niet gaan werken als ze met niets doen hetzelfde zouden verdienen. Hier ligt een, inderdaad immense, taak voor gemeenten en UWV om, nu de arbeidsmarkt krapper wordt, ervoor te zorgen dat het beschikbare arbeidsaanbod toeneemt. Er zitten bijna 500.000 mensen in de bijstand, waarvan met name het deel dat recent is gevlucht naar eigen zeggen staat te popelen om aan de slag te gaan.

 

Meer differentiatie

Mijn pleidooi is bovenal voor meer differentiatie. Meer differentiatie op de arbeidsmarkt, zodat waar krapte is de prijs kan stijgen en waar overschot is de prijs in ieder geval niet omhoog gaat. Meer differentiatie sowieso tussen werken en een uitkering, zodat aan de slag gaan en je eigen broek ophouden daadwerkelijk loont. Wie die verschillen niet kan handelen, kan altijd bezien waar de overheid die kan verzachten. Als de overheid dan zo nodig de consumptie wil stimuleren, gooi dan de belastingen omlaag. Wie dat op een slimme manier doet, lost ook een boel andere problemen op.

We zijn inmiddels gewend geraakt aan de huidige situatie waarin zovelen langs de kant staan en van de overheid afhankelijk zijn voor hun inkomen. Dat betekent echter niet dat we daar ons maar bij neer zouden moeten leggen.