Na jaren van bezuinigingen roept tegenwoordig weer bijna iedereen in de publieke sector om meer geld. Hetzij voor de uit te voeren werkzaamheden hetzij als salaris, maar het liefst nog allebei. Bij Defensie hebben de commando’s geen wapentuig en roepen soldaten ‘pang pang’ tijdens oefeningen. Docenten in het basisonderwijs klagen over salaris en werkdruk. Ook in de zorg is de financiële nood hoog. De ruim 60.000 politiemensen in ons land komen aan meer dan de helft van de aangiftes niet meer toe.

 

Laten we eerst eens naar de cijfers kijken of er nu daadwerkelijk zoveel is bezuinigd de afgelopen jaren. Ik hanteer een hele simpele definitie van bezuinigen en dat is minder geld uitgeven. Onderstaande tabel laat de netto collectieve uitgaven van de overheid zien op basis van gegevens van het CPB.

 

Netto collectieve uitgaven Rijk (x €1 miljard)

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017*
220 231 252 259 258 257 254 264 268 272 279

* Schatting

 

Ingepikt door de overheid

Tussen 2007 en 2017 nam het BBP toe met circa 96 miljard euro. De netto collectieve uitgaven namen toe met zo’n 59 miljard euro. Meer dan 60 procent van de welvaartsstijging is dus ingepikt door de overheid om uit te geven. En het is nog niet genoeg. Sterker nog, het is nooit genoeg. Bij de afgelopen verkiezingen kwamen diverse (extreem-)linkse partijen in hun programma’s met voorstellen die een verdere verhoging van de collectieve uitgaven en de collectieve lasten betekenen, in euro’s en uitgedrukt als percentage van het BBP. Geheel feitenvrij deden zij, en helaas nauwelijks weersproken, hun beklag over toenemende inkomensverschillen en publieke kaalslag in een sector waarin tot op het bot zou zijn bezuinigd. Het is niet waar. In de periode 2009 t/m 2013 zijn de uitgaven grosso modo gelijk gebleven, maar sinds het aantreden van het huidige demissionaire kabinet weer vrolijk verder gestegen. Voor het ene terrein waar de uitgaven zijn teruggeschroefd, na soms jarenlang uit de hand te zijn gelopen, zijn er andere waar al maar meer naar toe gaat of eerdere bezuinigingen worden teruggedraaid.

Er zijn een paar functies in overheidsdienst die je beter kunt mijden uit carrièreoverwegingen en om frustraties te vermijden. Die hebben te maken met het bevorderen van de efficiëntie en de verantwoording van de overheidsuitgaven. Dat interesseert bijna niemand iets en dus zijn de mensen die zich daarmee bezig houden uit het gezichtspunt van andere ambtenaren alleen maar lastig. Voor veel uitgaven geldt dat zij jaarlijks nauwelijks ter discussie staan en jaar in jaar uit probleemloos weer in de begroting belanden.

 

Ontbreken van concurrentie

Een andere handicap waar de overheid mee kampt, is uiteraard het ontbreken van concurrentie. Op veel overheidsterreinen is dat haast per definitie zo, maar er is meer mogelijk dan men wellicht vooraf denkt en bovendien kan concurrentie verschillende vormen aannemen. Wie regelmatig in verzorgingstehuizen komt, ziet dat bij de een het geld vooral in stenen is gaan zitten terwijl bij de ander er meer handen aan het bed zijn. Waar de ene school prima uitkomt met het jaarlijks toegekende budget klaagt de ander steen en been; vaak ook om reden van stenen versus handen. Uiteraard willen ze allemaal wel meer, maar het punt is dat de ene instelling betere keuzes maakt dan de andere. Waar dit gaat knijpen, is men gewend luid te schreeuwen over al jaren voortdurende bezuinigingen waardoor het minimum is bereikt. Feit is dat veel van deze instellingen de kaasschaaf hanteren in plaats van eens fundamenteel de eigen werkwijze tegen het licht te houden en die te vergelijken met andere instellingen. Waar de ene zorginstelling ruim 4 ton stopt in het laten afvloeien van 2 directeuren (tot zover de normering van topinkomens en de herziening van het ontslagrecht), een andere liever protserige gebouwen neerzet, zijn er ook die innoveren en op die manier niet alleen geld besparen maar ook het werk aantrekkelijker maken voor hun personeel.

Veel extra overheidsuitgaven komen doordat als de conjunctuur aantrekt (semi-)ambtenaren en uitkeringstrekkers willen delen in de welvaart. Aangezien het hier om miljoenen mensen gaat, lopen de daarmee gemoeide bedragen snel op. Ook hier is weinig bezinning op hoe het anders kan. De ooit door het kabinet Den Uyl ingevoerde volledige gelijktrekking van netto minimumloon en netto minimumuitkering (de zogenaamde netto-netto koppeling) staat nog steeds overeind en ligt aan de basis van het feit dat het verschil tussen werken en een uitkering ontvangen te klein is. Daarmee staat ook nog steeds het mensbeeld van dit kabinet overeind dat elke uitkeringsgerechtigde buiten diens schuld in deze situatie is beland, daar zelf niet uitkomt en daarom deel moet hebben aan welvaartsstijgingen via verhoging van de uitkering, waarvan de hoogte is gekoppeld aan de gemiddelde stijging van de contractlonen in Nederland. Hoe zeer ook telkens weer het belang van financiële prikkels blijkt, is de afstand tussen loon uit werk en het krijgen van een uitkering nog steeds veel te klein.

 

“Repareren van het dak als de zon schijnt”

De overheidsfinanciën saneren als het goed gaat zou het devies moeten zijn, want dan is er geld om eventuele negatieve effecten op te vangen. “Repareren van het dak als de zon schijnt”, noemen politici dat. Het mechanisme dat we zien is anders: De staat trapt voluit op de rem als het tekort te hoog wordt en laat de teugels los als het economisch goed gaat. De lopende formatie van een nieuw kabinet doet het ergste vrezen. Er is geld en er zijn in de samenleving en bij de betrokken partijen volop ideeën over hoe de maatschappij beter kan worden gemaakt. Bovendien is men ‘bezuinigingsmoe’. Waar vroeger het uitbreiden en het instandhouden van de verzorgingsstaat de handen op elkaar kreeg om de overheidsuitgaven te laten stijgen, is nu snel een excuus gevonden in het tegengaan van de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Ook de werkgevers zijn voor. Dat leidt tot zulk ondoordacht beleid als het met miljarden euro’s subsidiëren van hybride auto’s als de Mitsubishi Outlander. Overigens maakte bijna niemand zich druk over dat bedrag (de staatssecretaris van Financiën moest het zelf melden), want de intentie was goed. Dat laatste motief kennen we maar al te goed, want het lag (en ligt) ook ten grondslag aan de ongebreidelde uitbreiding van de verzorgingsstaat (en, om maar eens een zijstraat te noemen, de ideeën van mensen als de gebroeders Castro, Hugo Chavez en Nicolas Maduro en hun geestverwanten of toch niet).

Het opstellen van een regeerakkoord is in het verleden het enige moment gebleken om eens stevig door te pakken waar het ging om snoeien in de collectieve uitgaven. De ervaringen met daken repareren als de zon schijnt, zijn echter uitermate slecht. Liever heeft men het over investeren en het ontwikkelen van visie. Zelfs het aanpakken van onnodige bureaucratie en procedures is dan al een stap te ver. Er is immers geld, dus waar maak je je druk om? In dat geval moet je ook niet zeuren over dat je teveel belasting moet betalen.

 

Afbeelding: Wikipedia / Wikimedia Commons