“Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje”. Het is een bekend gezegde en liedtekst en vat prima samen hoe de verschillende linkse partijen in Nederland denken over arbeid en inkomen. De oplossing die zij voor dit ‘kwartjesprobleem’ hebben is eenvoudig: Gewoon van iedereen een ‘dubbeltje’ maken.

 

Marx en Scruton

Nu zijn er internationaal diverse pogingen gedaan om deze doelstelling te bereiken. De uitkomst was altijd dat sommigen meer gelijk waren dan anderen en dat het delen in armoede was. Die uitkomsten weerhouden linkse partijen niet om in hun verkiezingsprogramma’s te pleiten voor maatregelen die juist dit als effect zullen hebben. De opening van dit stuk wordt zo een zichzelf vervullende profetie. De wens om in economische zin iedereen gelijk te maken, is onuitroeibaar. Iemand die 40 uur per week fysieke arbeid levert, doet er toch niet minder voor dan iemand die beleid verzint achter een bureau op een ministerie? Waarom moet de laatste dan veel meer verdienen?

Deze denkwijze hanteerde ook Karl Marx, die vond dat alleen de hoeveelheid arbeid die in een product was gestopt de waarde ervan bepaalde en dat degene die deze arbeid leverde de beloning ervoor moest ontvangen. De kostprijs is echter maar een deel van het verhaal en arbeid is niet de enige productiefactor. Het gaat er ook om wat een product of dienst voor waarde heeft voor degene die deze afneemt. Marx was een denker van voor de ‘marginale revolutie’ in de economie en heeft niet meegekregen dat de prijs van een goed of dienst wordt bepaald door het punt waar marginale kosten en marginale opbrengsten aan elkaar gelijk zijn.

Uit het onvolprezen werk Fools, Frauds and Firebrands; Thinkers of the New Left van Roger Scruton blijkt dat veel van Marx zijn volgelingen vasthielden aan zijn arbeidswaardeleer. Arbeiders krijgen niet in loon de waarde van hun productie uitbetaald en worden dus uitgebuit. Op een ander cruciaal punt hebben deze denkers wel afstand genomen van het marxistische gedachtegoed: Marx zag de overheid als een verlengstuk van de bourgeoisie en daarmee als een vijand van de arbeidersklasse. Diezelfde overheid is nu het voornaamste instrument om de linkse idealen te realiseren. Met als rode draad in het gedachtegoed het bewerken van zoveel mogelijk gelijkheid in inkomen en vermogen.

 

Verkiezingsprogramma’s

De afkeer tegen hogere inkomens zit er blijkens de verschillende verkiezingsprogramma’s diep in. Zo willen PvdA en SP een extra belastingschijf van respectievelijk 60 en 65 procent invoeren voor inkomens vanaf 150.000 euro. Dit ondanks berekeningen van het CPB dat een dergelijke belasting juist averechts werkt op de overheidsinkomsten. Die dalen dan namelijk. Als het dus geen geld oplevert en economisch schadelijk is, dan is het enige overblijvende motief voor een dergelijke maatregel rancune. Een soortgelijke maatregel, gebaseerd op feitenvrije overwegingen, is de Piketty-belasting van GroenLinks. Eerder heb ik al geschreven dat de analyse van Piketty krakkemikkig is en dat de Nederlandse inkomensverhoudingen al decennialang stabiel zijn. In weerwil van deze feiten blijft GroenLinks volhouden dat het verschil tussen arm en rijk steeds groter wordt. Reden om de belasting op winst en vermogen flink te verhogen. Niet alleen voor multinationals, maar ook voor de MKB-er. Dat dit de mensen zijn die voor groei, innovatie en banen zorgen en bereid zijn om risico te nemen, wordt gemakshalve vergeten. En ook dat de sterkste schouders inmiddels vrijwel alle lasten dragen; de bovenste helft van de inkomensverdeling is goed voor tachtig procent van de belastingopbrengsten.

Wat ook opvalt bij het doorlezen van de programma’s van genoemde partijen is dat grote bedrijven systematisch worden neergezet als belastingontduikers en bankiers als bonusgraaiers. Blijkbaar mag je bij deze categorieën iedereen over één kam scheren. Er zijn echter genoeg bedrijven die netjes belasting betalen en het geven van een bonus aan een bankier is an sich niet verkeerd. Wie dergelijke algemeenheden over andere bevolkingsgroepen naar voren brengt, kan al snel rekenen op aangiftes en belangstelling van het Openbaar Ministerie.

Het gaat mij niet alleen om de hogere inkomens die steeds zwaarder belast worden of om het in stand houden van de hypotheekrente- of pensioenaftrek voor deze categorie. Voor het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek is op zichzelf best wat te zeggen, aangezien deze verstorend werkt. Mijn punt is dat het de lasten nog verder verzwaart en dat dit niet productief is. In plaats van de lasten te verzwaren van groepen die je per se wilt pakken, kun je ook de lasten verlichten van degenen die je kennelijk wilt bevoordelen. Dat is nog steeds inefficiënt, maar wel beter dan het riedeltje dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen, de rijken steeds rijker worden en vervolgens als straf de belastingen omhoog te gooien.

Lastenverlichting is hard nodig. Wie kijkt naar de lagere en midden inkomensgroepen ziet dat zij met een absurd hoge belastingdruk geconfronteerd worden. Behalve hoge belastingen en premies komt dit doordat veel regelingen inkomensafhankelijk zijn (geworden). Met name het huidige kabinet heeft daar een flinke bijdrage aan geleverd door de algemene heffingskorting en de arbeidskorting inkomensafhankelijk te maken. O.a. uit antwoorden op Kamervragen van Dijkgraaf (SGP) in juli 2016 blijkt tot welke absurde hoogte de marginale druk is opgelopen voor deze inkomensgroepen. Wie een flinke vooruitgang denkt te maken doordat zijn of haar salaris stijgt van €22.000 (dat is iets boven het minimumloon) naar €32.000, ziet dat van de bruto stijging van €10.000 in totaal €350 resteert. En daarbij is alleen rekening gehouden met reguliere belastingheffing in Box 1, inkomensafhankelijke fiscale regelingen als de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, de zorgtoeslag, het kind gebonden budget en de huurtoeslag. Wie geen kinderen heeft, houdt meer over. Maar het overzicht van (inkomensafhankelijke) regelingen is geenszins volledig, dus een veel hogere marginale druk is ook mogelijk. Commentaar van minister Asscher en staatssecretaris Wiebes hierbij: “Werk loont in de meeste gevallen wel degelijk. In het betreffende voorbeeld is alleen bij de stap van 31.000 euro naar 32.000 euro de marginale druk hoger dan honderd procent. Bij alle andere stappen is sprake van een stijging van het netto inkomen.” Het lijkt me dat de kwalificatie ‘alternatieve feiten’ hier de lading goed dekt.

 

Normaal doen

Het kabinet doet nogal luchtig over de uitkomsten van deze berekeningen, maar ik heb moeite om dit normaal te vinden. Hier zwijgen ook de programma’s van bovengenoemde partijen over het nemen van concrete maatregelen. Zij hebben het alleen over het verhogen van het sociaal minimum en de lonen. Het eerste helpt de uitkeringskeringstrekkers, maakt de overgang van uitkering naar werk financieel nog onaantrekkelijker en verhoogt de lasten voor werkenden nog verder. Het tweede mogen werkgevers betalen die, als ze het niet kunnen doorberekenen in hun prijzen, interen op hun winst en dus de investeringen zullen verlagen, waardoor de werkgelegenheid afneemt. GroenLinks wil wel het toeslagensysteem stroomlijnen en nog meer richten op de laagste inkomens, maar daardoor neemt de marginale druk alleen maar toe. Voor het uiteindelijke effect maakt het ook niet uit of de marginale druk oploopt doordat je belasting moet betalen of omdat je een toeslag (deels) verliest.

Wat is dan de filosofische basis onder dit economische gelijkheidsbeginsel? Die is er niet of het zou moeten zijn dat ieder mens zijn uiterste best doet om maximaal bij te dragen aan de maatschappij. Dit is evident onwaar. Mensen kiezen bij voorkeur de weg van de minste weerstand en gemakzucht is hun belangrijkste leidend motief. Als de uitkomsten voor iedereen van tevoren vaststaan, dan heeft een extra inspanning geen zin en draagt ook niet noemenswaardig bij aan het eindresultaat. Dan kun je roepen dat het beeld van de calculerende burger niet klopt, maar de échte feiten laten wat anders zien. Economische gelijkheid is al zo vaak geprobeerd, van kleinschalige wooncommunes tot in grote landen als China en de Sovjet-Unie. Het werkt niet. Alleen verschil kunnen maken motiveert mensen. Wie het perspectief op een ‘kwartje’ wegneemt, veroordeelt iedereen tot de armoede van het ‘dubbeltje’.