Waarom de Fransen zich bijna als religieuzen gekwetst voelen om de herdenking van de slag bij Waterloo.

Ooit kreeg ik een bundeltje met de vreemde titel ‘Eigenlijk bent u een Europeaan. Essays over kansen zonder grenzen’. Naast de gebruikelijke verdachten die de essays schreven, is er ook met die titel bijzonder veel mis. Het is politieke bullshitlingo van het soort dat handelt in als diepzinnigheid verkochte denkfouten. Maar dat is niet het ergste aan deze tweehonderd pagina’s pro-Europese agitprop onder leiding van Guy Verhofstadt.

Het ergste is zonder meer dat de essays (columns, eigenlijk) die ik wel heb weten door te ploegen, allemaal hetzelfde bejubelen: dat het Europese continent een geweldige verscheidenheid aan cultuur en geschiedenis herbergt en dat het daarom tijd is voor een verregaande eenwording van Europa. Dat is net zo’n terechte gevolgtrekking als stellen dat death metal goed is omdat Mozart zo’n geweldenaar was. Geinig logisch gebbetje, als het geen materiële implicatie zou zijn.

Enfin, de Europese utopisten deden in hun schrijfsels tenminste hun best de voornaamste obstakels tot Europese eenwording, cultuur en geschiedenis, retorisch om te buigen tot de kracht van Europa – als ik het niet volledig verkeerd heb begrepen. Maar het is niet meer dan retoriek.

Dat werd weer hilarisch duidelijk toen de Fransen vorige week een Belgische herdenkingsmunt voor de Slag van Waterloo succesvol afschoten. Aan de Europese Raad (Europa, de favoriete Franse sluiproute voor het verwezenlijken van Franse belangen) lieten de Belgische zuiderburen het volgende weten. ‘Munten laten circuleren waarop een symbool staat dat voor een deel van de Europese bevolking kwetsend is, komt ons als schadelijk voor, zeker in een context waarbij de regeringen van de eurozone de eenheid en de samenwerking in de monetaire unie pogen te versterken.’

Buiten het feit dat de Fransen Europa weer goedkoop instrumenteel maken, leren we ten minste twee andere dingen. In de eerste plaats worden we herinnerd aan wat hypocrisie ook alweer was. De Fransen, die vergeleken met Noord-Amerika en Groot-Brittannië weinig wezenlijks hebben bijgedragen aan de overwinning op nazi-Duitsland, herinneren zichzelf en de wereld graag aan hun historische rol als één der grote Westerse Geallieerden. En dat doen ze elk jaar een paar keer, in ieder geval rond 6 juni (ter herdenking van D-Day) en op quatorze juillet. Allemaal om te vergeten dat de Fransen op eigen kracht al anderhalve eeuw geen grote oorlog meer hebben gewonnen.

In de tweede plaats wijst het op cultuur en geschiedenis als splijtzwam in Europa. Cultuur en geschiedenis hangen namelijk samen met identiteit, die er grotendeels uit opgebouwd is. En identiteit laat zich niet zomaar uitwissen, hoe hard de Brusselse blauwdrukdenkers dat ook wensdenken. Dat huizen er over de grens anders uitzien, dat mensen daar anders spreken en anders denken, lijken triviale hobbels op weg naar een broederschap der volkeren. Maar voor broederschap is erkenning van de identiteit van de broeder nodig. Dat maakt het Franse beklag ook zo paradoxaal: met een beroep op Europese eenheid een speciale behandeling voor de eigen nationale gevoelens eisen.

Dat is wat er mis is met ‘Europa’ als contemporain ideaal. Net zoals het voornoemde bundeltje, is het geen descriptie van een culturele en historische rijkdom, maar van een sociaal-economisch project dat niet kan omgaan met de categorie cultuur, behalve in de concertzaal. Als identiteit zich liet uitvlakken door voldoende propaganda te verspreiden, hadden de Europese voormalige sovjetrepublieken zich na de val van de USSR niet op zo’n sterk gelijkende wijze herpakt als voor hun inlijving. En dan hadden de Fransen niet tweehonderd jaar na de slag bij Waterloo moeilijk gedaan over de herdenking van hun nederlaag.