Eric C. Hendriks veegt in Elsevier de vloer aan met intersectionele feministen en zelfbenoemde antiracisten die de elite zijn, maar doen alsof ze voor de onderdrukten opkomen. Deze ‘intellectuelen’ praten elkaar en Amerika na. 

 

Eric C. Hendriks, die voor Jalta een prachtig verhaal over GroenLinkse kosmopolieten schreef, ergert zich enorm aan modieuze discussies die uit Amerika zijn komen overwaaien.

 

Als je over iets spreekt zoals de Amerikanen erover spreken, dan klinkt je al snel legitiemer. (…) Nu is Amerika een prachtig land en staat het cultureel en politiek dicht bij Nederland. Toch heeft Nederland haar eigen tradities van diversiteit en tolerantie die net anders zijn. Maar ondanks dat verschil in denken, praten we vaak gewoon de Amerikanen na.

Neem de nieuwe term ‘Nederlanders van kleur’. Dit komt van ‘people of color’. In Amerika gebruikt men sinds kort ‘people of color’ in plaats van ‘colored people’ omdat veel gekleurde Amerikanen het eerste netter vinden klinken dan het tweede. Amerikanen houden daar rekening mee. Een beetje botte Hollander vindt dat als twee termen letterlijk hetzelfde betekenen, mensen niet moeten zeiken. Maar we nemen het Amerikaanse taalgebruik toch over. En dat terwijl ‘van kleur’ raar klinkt in het Nederlands!

Ook vervangen we ‘blank’ met ‘wit’ omdat het laatste meer op het Engelse ‘white’ lijkt. En ‘wit’ vormt een beter paartje met ‘zwart’, wat weer beter aansluit op het Amerikaanse denken in een zwart-wit tegenstelling. Maar de harde tegenstelling van ‘wit privilege’ en ‘het onderdrukte zwarte lichaam’ die je historisch in het Zuiden van de VS vindt, is afwezig in Nederland en veel andere landen. Wij hebben vooral verschillende bruintinten en religieuze diversiteit. Het is achterlijk om te vragen of Marokkaanse Nederlanders donker of achtergesteld genoeg zijn om als ‘zwart’ te gelden.

Volgens Hendriks zit er in het kritiekloze kopieergedrag een communistisch tintje, dat lijkt op hoe men in China de boel aanpakt. Hendriks werkt in China en in een eenpartijstaat weet men niet wat men als individu moet vertellen, dus neemt men de toevlucht tot een blindelings geïmporteerd script. Het is echter vreemd dat een vrij en democratisch land als Nederland ook die kant lijkt op te gaan.

Volgens Hendriks, en nu wordt het interessant, zijn de zogenaamde strijders voor sociale rechtvaardigheid, die zeggen voor de onderdrukten op te komen, in feite ontzettend elitair. Hij noemt als voorbeeld Sinan Çankaya, columnist bij De Correspondent en opgevoerd als autoriteit in de documentaire ‘Wit is ook een kleur’ van Sunny Bergman. Volgens Hendriks is de heer Çankaya een klassieke naprater:

Çankaya spreekt in de clichés van coastal Amerika. Het unieke individu in gevecht met hokjes (‘Don’t box me in’). De simplistische tweedeling in witte onderdrukkers en niet-witte onderdrukten. Het idee dat grote maatschappelijke machtsverhoudingen in stand worden gehouden door kleine ongevoeligheden (‘microaggressions’). De heer Çankaya spreekt zoals de gegoede klasse in New York en Los Angeles. Hij daagt de macht niet uit, maar spreekt juist de taal van de macht. (…) Het ware verzet is om vanuit een autonome creativiteit je eigen ideeën en waarden te formuleren. Dat wil zeggen: niet altijd zomaar de Amerikanen napraten.

Hier kunnen we het, helaas praten we nu ook iemand na maar dit kan nu even niet anders, helemaal mee eens zijn.