Kamiel Verwer over Syb Wynia, Sylvana Simons, Ewout Klei, Arthur van Amerongen en de Nederlandse identiteit. 

 

Syp Wynia schreef op zijn stek bij Elsevier nogal een standaardverhaal over het Paasfeest als ‘verzetsdaad’, waarin hij het martialisch als nieuwe ‘frontlijn’ tegen de bedreiging door moslim-fluisteraars aand cultuurrelativisten beschrijft. De HEMA weer op z’n paasbest, na de rel over de verstopeitjes waar Halbe Zijlstra zich vorig jaar zo over opwond. Het volk kijkt massaal naar de Passion omdat traditie for tradition’s sake zo fijn is want je hoeft er niet bij na te denken.

Maar de vijand zit niet stil. Culturele minderheden vallen volgens Syp terug op ‘identity politics’ om de witte man zo’n schuldgevoel aan te praten dat hij vanzelf zal imploderen. Identiteitspolitiek is het zwaarste geschut dat ze inzetten (uitgezonderd de bomgordel) en dus de MOAB van SJW’s.

Het handelsmerk van de aanhangers van identity politics – zoals de kersverse politicus Sylvana Simons – bestaat er uit dat mensen niet worden beoordeeld worden op wat ze doen, maar op hun huidskleur (of op hun geaardheid of handicap, of dat alles tegelijk) en het daarop gestoelde slachtofferschap dan wel daderschap.

Syp Wynia van de nieuwe partij Syp en Syl voor de Grondwet

Je kunt veel over Simons zeggen, maar niet dat ze ‘identity politics’ aanhangt. Toen ze haar doodgeboren partij ‘Artikel 1‘ noemde in een bewuste verwijzing naar de grondwet, verzette ze zich juist tegen de verkapte identity politics van de Erdoganzen Kuzu en Özturk, of Henk Krol himself, die allemaal heel onschuldig “bepaalde groeperingen een stem willen geven”. Het drama van Syl is dat ze helaas niet over de intellectuele vermogens beschikt om haar instinctieve verontwaardiging te vertalen in politiek schrandere statements.

Maar ze noemt tenminste de grondwet (de Nederlandse, niet de Turkse), een document waar iedere Nederlander, nolens volens, iets mee heeft. En die is echt een stuk belangrijker dan de bijbel en de daaraan ontleende vercommercialiseerde zoete suikerfeestjes. Er zijn genoeg islamieten en zeker zoveel gemakszuchtigen die de Nederlandse grondwet op een kwalijke manier willen uitleggen. Syp heeft daar scherp over geschreven, maar hij had het er ook in zijn paaswake over moeten hebben.

De twee begrippen waar hij mee knoeit zijn identiteit en identity politics. We begrijpen dat het eerste goed en noodzakelijk is wanneer de columnist in zijn afsluitende tirade huivert dat Pinksteren ooit plaats moet maken voor het islamitische Suikerfeest. ‘Het Nederlandse volk’ heeft de persoonlijke vrijheid in z’n donder en dus de handicap dat het geen identity politics kan inzetten. Zelfs Geert Wilders komt daar niet mee weg.

Maar hoe komen we aan een robuuste identiteit zonder ons liberale erfgoed overboord te gooien? Krampachtig vasthouden aan Christelijke feestjes, die in historische tijden van verzuiling zo’n belangrijke pijler van van verschillende denominaties was, werkt natuurlijk niet meer.

Je kunt als columnist punten scoren door te apelleren aan het sentiment van de volksfeesten en woonboulevards, maar als je echts iets in de pap wilt brokkelen over waar het de komende tien jaar naar toe moet met de Nederlandse identiteit, moet je toch verder kijken dan de oren van de paashaas lang zijn.

Je zult dan moeten toegeven dat de Nederlandse identiteit gelukkig wel iets substantiëler is dan religieus geïnspireerde detailhandelfeestjes. Wat maakt Nederland tot Nederland, waar zouden alle Nederlanders zich mee moeten kunnen identificeren? De meest in het oog springende dingen die Nederland onderscheiden van China, Saoedi-Arabië of Zimbabwe zijn rechtsstatelijkheid, individualiteit, rationaliteit. Maar die trits is niet te onderscheiden van wat we de Westerse of Europese identiteit noemen (iets waarmee je overigens in een Elsevier-column niet kunt scoren).

Maar er zijn ook dingen die Nederland (iedereen in Nederland) onderscheiden van Europa: vaderlandse geschiedenis en de Nederlandse taal. Wat vaderlandse helden betreft: dat laat ik graag over aan Ewout Klei (lees hem over Joan Derk van der Capellen tot den Pol). In puncto de Nederlandse taal denk ik dat vaak wordt onderschat hoeveel identiteit we kunnen halen uit doorwrochte en doordachte formuleringen. Verzorgde, welluidende volzinnen zoals Volkskrant-columnist Arthur van Amerongen ze in tegenstelling tot Wynia schrijft, doen meer voor de Nederlandse identiteit dan gezeur over de teloorgang van ‘onze’ tradities die volgens de Netflix-generatie allang de onze niet meer zijn.

De liberaal weet dat we tradities nooit kunnen opdringen, maar in plaats van een grammaticaal rammelend defaitistisch betoog is het zijn taak om te verleiden met een in mooi Nederlands geschreven verhaal dat de glorie van de rechtsstaat en de interpretatie van de grondwet (Artikel 1!) voelbaar en vierbaar maakt op een manier die Duitsers, Britten of Fransen niet kunnen begrijpen.

Dat zou dan een Nederlandse identiteit kunnen zijn.